Centrale Raad van Beroep, 20-11-2012 / 11-2079 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY3764

Inhoudsindicatie
Appellant is vanwege zijn medische omstandigheden voor de periode van 1 maart 2009 tot 28 februari 2011 voor tien dagdelen ontheven van de uit artikel 9, eerste lid, van de WWB voortvloeiende verplichtingen. Gezien het advies van de verzekeringsarts om na achttien maanden een herbeoordeling te doen plaatsvinden omdat verbetering niet is uitgesloten, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college appellant niet in redelijkheid voor de duur van twee jaar heeft kunnen ontheffen van de arbeidsverplichtingen. De noodzaak voor ontheffing voor een langere termijn heeft appellant op geen enkele wijze met objectieve gegevens onderbouwd. Op grond van het medisch advies van 20 maart 2009 kan niet worden geconcludeerd dat appellant ongeschikt is deel te nemen aan een voorziening gericht op zijn (toekomstige) arbeidsinschakeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-20
Publicatiedatum
2012-11-22
Zaaknummer
11-2079 WWB
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/2079 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2011, 10/3435 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 9 oktober 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.


OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.2. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft appellant bij besluit van 8 februari 2007 tot 5 februari 2008 ontheven van een aantal arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Ter beoordeling van de noodzaak appellant wederom van deze verplichtingen te ontheffen, heeft de verzekeringsarts dr. A.L. Mathoera, werkzaam bij Aob Compaz, op 18 maart 2009 een medisch onderzoek uitgevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport Arbeidsgeschiktheidstoets van 20 maart 2009. Deze verzekeringsarts heeft op basis van anamnese, lichamelijk onderzoek en informatie van de behandelend psychiater van appellant van 17 maart 2009, geconcludeerd dat appellant in verband met zijn lichamelijke en psychische klachten structurele functionele beperkingen heeft en daardoor “momenteel volledig arbeidsongeschikt is”. Hij acht verbeteringen niet uitgesloten en adviseert een medisch heronderzoek na achttien maanden.


1.3. Bij besluit van 12 april 2010 heeft het college appellant vanwege zijn medische omstandigheden voor de periode van 1 maart 2009 tot 28 februari 2011 voor tien dagdelen ontheven van de volgende uit artikel 9, eerste lid, van de WWB voortvloeiende verplichtingen:

a. naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

b. ervoor zorgen dat hij als werkzoekende ingeschreven staat bij het Uwv;

c. algemene geaccepteerde arbeid aanvaarden.

Het college heeft appellant geen ontheffing verleend van de volgende verplichtingen:

d. nalaten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;

e. gebruik maken van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en

f. meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


1.4. Bij besluit van 13 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college hem in verband met zijn psychische klachten langer dan twee jaar ontheffing had moeten verlenen van de verplichtingen a t/m c, zoals onder 1.3 genoemd, en hem tevens had moeten ontheffen van de onder 1.3 genoemde verplichtingen e en f.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


Duur ontheffing arbeidsverplichtingen a t/m c


4.2. Appellant beoogt met zijn hoger beroep onder meer verdergaande ontheffing te verkrijgen dan de hem verleende ontheffing van twee jaar. Dit betekent dat appellant, anders dan het college stelt, (ook) in hoger beroep procesbelang heeft.


4.3. Gezien het advies van de verzekeringsarts om na achttien maanden een herbeoordeling te doen plaatsvinden omdat verbetering niet is uitgesloten, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college appellant niet in redelijkheid voor de duur van twee jaar heeft kunnen ontheffen van de arbeidsverplichtingen a t/m c. De noodzaak voor ontheffing voor een langere termijn heeft appellant op geen enkele wijze met objectieve gegevens onderbouwd.


Weigering ontheffing van de verplichtingen e en f


4.4. Aan deze weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat op grond van het medisch advies van 20 maart 2009 niet geconcludeerd kan worden dat appellant ongeschikt is deel te nemen aan een voorziening gericht op zijn (toekomstige) arbeidsinschakeling. Gezien de onder 1.2 vermelde conclusie van de verzekeringsarts dat verbetering van de medische situatie van appellant niet was uitgesloten, was er voor het college geen aanleiding appellant te ontheffen van de verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waaronder wordt begrepen een arbeidsmedisch onderzoek. Appellant heeft geen medische of andere gegevens overgelegd, op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant ontheffing te verlenen van de verplichtingen e en f.


4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, als voorzitter en E.C.R. Schut en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2012.


(getekend) W.F. Claessens


(getekend) M. Sahin


HD