Centrale Raad van Beroep, 21-11-2012 / 11-4377 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY3917

Inhoudsindicatie
Niet meer ongeschikt voor haar arbeid. Bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek gaat om de vaststelling van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Daarbij is een diagnose niet doorslaggevend, evenmin de eigen opvatting van appellante daarover. De bva heeft in haar rapportages (...) inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd aangegeven waarom de in beroep overgelegde informatie van medisch adviseur Peerden en de in hoger beroep overgelegde informatie van de haar behandelend orthopedisch chirurg en radioloog, welke met uitzondering van de röntgenfoto’s, al bij haar bekend was en in haar beoordeling van appellantes belastbaarheid betrokken, haar geen aanleiding geven om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-21
Publicatiedatum
2012-11-22
Zaaknummer
11-4377 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/4377 ZW



Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer



Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 juni 2011, 11/345 (aangevallen uitspraak)



Partijen:


[A. te B.] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)




Datum uitspraak: 21 november 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. F. van der Wielen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Op verzoek van de Raad heeft appellante nadere stukken in het geding gebracht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.A. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Van der Wielen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.



OVERWEGINGEN


1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.


1.2. Appellante heeft in verband met zwangerschap en bevalling een uitkering ontvangen ingevolge de Wet arbeid en zorg (WAZO). In aansluiting hierop heeft appellante zich op 19 augustus 2010 ziek gemeld met bekkenklachten en vermoeidheid. Ter zake van deze ziekmelding heeft zij twee maal het spreekuur van de bedrijfsarts A.C. Verhoeven bezocht. Tijdens het spreekuur van 3 september 2010 heeft de bedrijfsarts appellante per 29 november 2010 geschikt geacht voor haar arbeid als kraamverzorgster voor gemiddeld 20-24 uur per week. Appellante kon zich hier niet in vinden en vervolgens is zij wederom opgeroepen om op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit spreekuuronderzoek heeft de bedrijfsarts appellante per 22 november 2010 geschikt geacht voor haar arbeid. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 22 november 2010 weer geschikt geacht voor haar arbeid en haar voorts meegedeeld dat zij niet (langer) arbeidsongeschikt is door zwangerschap of bevalling.


1.3. Bij besluit van 4 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts I.A.K. Snels van 27 december 2010, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 november 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv appellante meegedeeld dat uit zorgvuldigheidsoverwegingen haar uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) uitbetaald wordt tot 29 november 2010 in plaats van 22 november 2010.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de door de betrokken bezwaarverzekeringsarts opgestelde rapportages en aan de expertise van de door appellante ingeschakelde medisch adviseur M.A. Peerden niet die waarde toegekend die appellante daaraan toegekend wenste te zien. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts, anders dan Peerden, appellante lichamelijk onderzocht heeft en overtuigend heeft gemotiveerd dat uit de klinische bevindingen van het lichamelijk onderzoek geen afwijkingen naar voren zijn gekomen die wijzen op klachten van bekkeninstabiliteit bij appellante. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zeven maanden na de bevalling geen beperkingen meer te duiden zijn als gevolg van bekkeninstabiliteit in relatie tot de zwangerschap. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen.


3. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat de destijds bij haar bestaande bekkenklachten haar belemmerden om op de datum in geding haar arbeid te verrichten. Voorts stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan is aan het feit dat het bestaan van beperkingen als gevolg van de, middels röntgendiagnostiek, aannemelijk gemaakte symfysiolyse niet middels lichamelijk onderzoek kunnen worden uitgesloten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep informatie overgelegd van radioloog R.B.J. de Bondt van 1 september 2010, bestaande uit een radiologiebericht en röntgenfoto’s. Daarnaast heeft appellante informatie van de haar behandelend orthopedisch chirurg P. Senkerij van 10 september 2010 overgelegd.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Vastgesteld wordt dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 9 oktober 2012, dat op verzoek van de Raad in reactie op de in hoger beroep overgelegde stukken van de behandelend sector is opgesteld, binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde tien dagen-termijn is overgelegd, namelijk ter zitting van de Raad op 10 oktober 2012. Aangezien de gemachtigde van appellante ter zitting kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar te hebben tegen het betrekken van dit stuk in het geding, is er geen aanleiding dit rapport bij de beoordeling van het onderhavige geschil buiten beschouwing te laten.


4.3. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.


4.4. Uit de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder het rapport van de door appellante geraadpleegde medisch adviseur Peerden van 9 februari 2011, blijkt dat de Raad in het onderhavige geval de vraag moet beantwoorden of het Uwv aan appellante terecht per 29 november 2010 (tot 1 februari 2011) een uitkering ingevolgde de ZW heeft geweigerd.


4.5. De hiervoor geformuleerde rechtsvraag wordt bevestigend beantwoord. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de belastbaarheid van appellante per 29 november 2010 en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen.


4.6. Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van de radioloog en orthopedisch chirurg, blijkt dat in september 2010 mogelijk sprake was van een discrete symfysiolyse. De door appellante geraadpleegde medisch adviseur Peerden stelt in zijn rapport dat het zonder meer voorstel- en invoelbaar is dat appellante met deze aandoening op en na de datum hier in geding nog buiten staat was haar eigen werk te verrichten. In dit rapport, in combinatie met de verkregen informatie van de radioloog en orthopedisch chirurg, ziet appellante dan ook steun voor haar stelling dat zij per de datum in geding ten gevolge van haar bekkenklachten, veroorzaakt door de discrete symfysiolyse, niet in staat was haar eigen werk te verrichten.


4.7. Opgemerkt wordt dat het bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek gaat om de vaststelling van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Daarbij is een diagnose niet doorslaggevend, evenmin de eigen opvatting van appellante daarover. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportages van met name 14 maart 2011 en 9 oktober 2012 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd aangegeven waarom de in beroep overgelegde informatie van medisch adviseur Peerden en de in hoger beroep overgelegde informatie van de haar behandelend orthopedisch chirurg en radioloog, welke met uitzondering van de röntgenfoto’s, al bij haar bekend was en in haar beoordeling van appellantes belastbaarheid betrokken, haar geen aanleiding geven om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De mogelijk gevonden symfysiolyse en de daaruit voortkomende klachten zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden om appellante per de datum in geding ongeschikt te achten voor haar arbeid aangezien bij klinische bevindingen de functie van de rug, het bekken en de ledematen van appellante onbeperkt blijken.


4.8. Tot slot wordt overwogen dat uit het rapport van medisch adviseur Peerden niet blijkt van een met medische gegevens onderbouwde verklaring voor zijn standpunt dat het per 29 november 2010 voorstel- en invoelbaar te achten is dat appellante vanwege haar klachten niet in staat is haar eigen arbeid te verrichten, terwijl zij per 1 februari 2011 door hem weer volledig belastbaar voor deze arbeid wordt geacht.


5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.4 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2012.



(getekend) C.P.J. Goorden



(getekend) D.E.P.M. Bary