Centrale Raad van Beroep, 23-11-2012 / 11-2478 WIA


ECLI:NL:CRVB:2012:BY4037

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens afkomstig uit de (reguliere) behandelend sector ingebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat zij psychisch en lichamelijk meer beperkt is dan het Uwv in navolging van de (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangenomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-23
Publicatiedatum
2012-11-26
Zaaknummer
11-2478 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/2478 WIA


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2011, 10/2848 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak: 23 november 2012


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van bezwaarverzekeringsarts R.M.J. Janssens ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsvonden op 12 oktober 2012. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.


OVERWEGINGEN


1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als procesoperator, heeft zich op 29 mei 2008 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens klachten aan het bewegingsapparaat en later bijkomende psychische klachten. Op grond van de bevindingen van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van geduide functies zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit. In overeenstemming met deze conclusie heeft het Uwv appellante bij besluit van 23 maart 2010 meegedeeld dat per 27 mei 2010 geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt toegekend.


1.2. Het tegen dat besluit door appellante gemaakt bezwaar is bij besluit van 7 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.2. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waar voor eiseres en verweerder wordt gelezen appellante en het Uwv:


“Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische onderzoek volledig is en op zorgvuldige wijze heeft plaats gevonden. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het daaruit volgende medische oordeel. In dat verband overweegt de rechtbank dat het bezwaarverzekeringsgeneeskundige onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, het verhandelde tijdens de hoorzitting waarbij de bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, een daaraan aansluitend (lichamelijk en psychisch) onderzoek en gegevens van derden.


Het betoog van eiseres dat de overgelegde informatie van de behandelend sector door verweerder in de besluitvorming mee had moeten worden genomen, treft geen doel. De door eiseres in bezwaar ingebrachte informatie van de behandelend sector is blijkens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 6 juli 2010 meegewogen, maar deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts niet geleid tot een andere conclusie omdat daaruit geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen. In haar reactie van 8 september 2010 op het beroepschrift heeft de bezwaarverzekeringsarts er overigens terecht op gewezen dat de ingebrachte gegevens dateren van ver voor de datum in geding (1999-2006) en daarom niet relevant zijn voor de beoordeling van de medische situatie van eiseres op de datum in geding. Voorts ziet de rechtbank, anders dan eiseres heeft betoogd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres vanwege haar psychische gesteldheid meer beperkt is dan verweerder heeft aangenomen.


In beroep is namens eiseres een rapportage van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans van 5 augustus 2010 overgelegd. Daarnaast is namens eiseres in bezwaar een drietal rapporten van dit instituut ingebracht. (...). Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de overgelegde rapportages van het Instituut Psychosofia echter geen argumenten die leiden tot de conclusie dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onvolledig, onzorgvuldig of anderszins onjuist is.


Gelet op het voorgaande en omdat eiseres niets heeft aangevoerd en geen medische informatie heeft ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een medische deskundige in te schakelen.”


3. In hoger beroep heeft appellante een aantal grieven aangevoerd over de bewijslastverdeling tussen het Uwv en de burger en de wijze van toetsing daarvan door de bestuursrechter. Daarnaast heeft appellante wederom gesteld dat er sprake is van een onvoldoende zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Voorts heeft appellante gesteld dat er sprake is van psychische problematiek die van invloed blijft op haar functioneren en dat er daarnaast sprake is van psychosomatische klachten die zich hebben ontwikkeld tot functiestoornissen. Zij is hierdoor meer beperkt dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst is aangenomen. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante een rapport overgelegd van Instituut Psychosofia van 16 mei 2011.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt de in de aangevallen uitspraak vermelde en in overweging 2.2 geciteerde overwegingen tot de zijne. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit en heeft de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk is. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.


4.2.1. De Raad stelt vast de appellante in verband met de door haar gestelde klachten in de bezwaarfase informatie uit de behandelend sector heeft overgelegd, welke betrekking heeft op de jaren 1993 tot en met 2010. In zijn zeer uitvoerige rapportage van 6 juli 2010 geeft de bezwaarverzekeringsarts een opsomming van de door hem verkregen gegevens en merkt daarover het volgende op. “Informatie vanuit de curatieve sector werd door de gemachtigde opgevraagd en aan het Uwv op 05-07-2010 doorgestuurd. Uit deze informatie blijken geen nieuwe medische feiten die nog niet bekend waren bij ondergetekende.” Anders dan appellante heeft gesteld heeft de bezwaarverzekeringsarts de door appellante ingebrachte informatie dus niet uitgesloten van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek, maar daaraan andere conclusies verbonden dan zij daaraan kennelijk aangewezen acht. Van bewijsuitsluiting door het Uwv en/of de rechtbank en dientengevolge strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is dan ook geen sprake.


4.2.2. Dat de rechtbank het door het Uwv ingenomen standpunt, dat de ingebrachte gegevens die van ver voor de datum in geding dateren niet relevant zijn voor de beoordeling van de medische situatie van eiseres op de datum in geding, heeft onderschreven, komt de Raad niet onjuist voor. Gelet op het feit dat een medische situatie kan wijzigen, dient de (bezwaar)verzekeringsarts om tot een verantwoord oordeel te komen omtrent de gezondheidstoestand van een betrokkene op de in geding zijnde datum, vooral te beschikken over (recente) medische informatie - verkregen uit eigen onderzoek en/of verstrekt door derden - welke betrekking heeft op die datum en kan hij zijn oordeel niet alleen baseren op oude, dan wel verouderde gegevens. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van de voorhanden zijnde gegevens vastgesteld dat appellante op de datum in geding niet meer onder behandeling was voor psychische klachten, de medische situatie ten aanzien van de diabetes mellitus en schildklier stabiel was en de slijtage aan de heupen was vastgesteld middels een röntgenfoto. Voorts stelt hij vast dat de verzekeringsarts geen onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de gezondheidssituatie van appellante. De door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen houden volgens de bezwaarverzekeringsarts rekening met de ervaren klachten van appellante en in het opgestelde belastbaarheidsprofiel is zij ruim beperkt in psychisch en lichamelijk werk. Van appellante mag worden verlangd dat zij het onderbouwde standpunt van het Uwv op deugdelijke en met voldoende verifieerbare gegevens ondersteunde wijze weerlegt, wil haar stelling dat zij meer dan wel verdergaand beperkt is doel treffen. Daarin is zij niet geslaagd. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens afkomstig uit de (reguliere) behandelend sector ingebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat zij psychisch en lichamelijk meer beperkt is dan het Uwv in navolging van de (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangenomen. Hierbij merkt de Raad op dat de in hoger beroep overgelegde stukken van Instituut Psychosofia ook geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat sprake is van verdergaande beperkingen dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen.


4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.


(getekend) C.W.J. Schoor


(getekend) Z. Karekezi


KR