Centrale Raad van Beroep, 23-11-2012 / 11-3743 WIA


ECLI:NL:CRVB:2012:BY4060

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Juistheid medische grondslag. Er is in voldoende mate rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. Nadere toelichting op geduide functies in hoger beroep. Proceskostenveroordeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-23
Publicatiedatum
2012-11-26
Zaaknummer
11-3743 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/3743 WIA



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2011, 10/3426 (aangevallen uitspraak)



Partijen:


[A. te B.] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)




Datum uitspraak: 23 november 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.W. Menkveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2012. Namens appellant is mr. Menkveld verschenen. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.


Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.


Desgevraagd heeft het Uwv een rapport van 29 augustus 2012 van de bezwaararbeidsdeskundige ingebracht.


Namens appellant is bij brief van 25 september 2012 hierop gereageerd.


Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een tweede zitting. Hierna heeft de Raad het onderzoek gesloten.



OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, werkzaam als medewerker spuiterij, heeft zich met ingang van 13 september 2007 ziek gemeld met psychische klachten. In het kader van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant onderzocht door verzekeringsarts M.E.P.M. Wirtz. Bij anamnese heeft appellant de volgende klachten aangegeven: somber- en lusteloosheid, vermoeidheid, slecht slapen, depressief, hoofd- en maagklachten, allergie, piekeren en bang voor de toekomst in verband met slechte gezondheid van zijn moeder. Als gevolg van deze klachten, kan appellant niet tot nauwelijks functioneren. Op verzoek van de verzekeringsarts is appellant onderzocht door de psychiater R.L. Leta. Deze heeft op 8 januari 2010 rapport uitgebracht. In dit rapport heeft de psychiater aangegeven dat bij appellant sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en vermijdende trekken. De beperkingen dienen met name betrekking te hebben op het hanteren van emotionele problemen van anderen, het uiten van eigen gevoelens, omgaan met conflicten en het samenwerken met anderen. Naar aanleiding van de expertise van psychiater Leta heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 januari 2010 opgesteld. Daarna is rapport uitgebracht door een arbeidsdeskundige. Deze is tot de conclusie gekomen dat er functies aanwijsbaar zijn die in overeenstemming zijn met de voor appellant geldende FML. In die functies kan appellant een zodanig inkomen verdienen dat in vergelijking met de laatstelijk door hem verrichte functie van spuitgieter een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 2%.


1.2. Bij besluit van 3 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 10 september 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA onder overweging dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


2.1. In de bezwaarprocedure is namens appellant gewezen op de persoonlijkheidsstoornis en de stemmingswisselingen die appellant daarvan ondervindt. Deze leiden tot een omvangrijk disfunctioneren waardoor er geen duurzame benutbare mogelijkheden zijn. Met name is appellant beperkt op het omgaan met conflicten en het samenwerken met anderen omdat appellant snel gekrenkt zal zijn en wantrouwend zal reageren als hij bekritiseerd wordt. Deze klachten zijn ook de reden waarom hij de bedongen werkzaamheden niet meer kon verrichten wat zich ook zal voordoen bij een nieuwe werkgever. Tot slot wordt meegedeeld dat de prognose slecht is en dat de invloed van therapie gering is.


2.2. De bezwaarverzekeringsarts W. Langerak heeft bij rapport van 31 augustus 2010 te kennen gegeven dat zij zich kan verenigen met de voor appellant door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Er is geen sprake van een situatie van geen duurzame benutbare mogelijkheden en voorts kan niet gesproken worden van volledig persoonlijk en sociaal disfunctioneren ten gevolge van een ernstige psychische stoornis. Bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband heeft enkele als geschikt geselecteerde functies laten vervallen omdat ze niet actueel waren op de datum in geding. Er resteren voldoende functies waarvan de belasting de grenzen van de aangepaste FML niet overschrijdt zonder dat dit leidt tot een relevante wijziging in het verlies aan verdiencapaciteit. In overeenstemming met deze rapporten heeft het Uwv bij besluit van 14 september 2010, het bestreden besluit, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2010 ongegrond verklaard.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gelet op de rapportages van de verzekeringsarts en van de bezwaarverzekeringsarts en de overige beschikbare medische gegevens en het feit dat de verzekeringsarts een psychiatrische expertise heeft laten verrichten, er geen aanleiding is het medische oordeel in twijfel te trekken. Appellant heeft in beroep zijn stellingen in bezwaar herhaald zonder deze nader te onderbouwen en heeft niet objectief aannemelijk gemaakt dat zijn beperkingen op 10 september 2009 ernstiger waren dan waarmee het Uwv rekening heeft gehouden. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.


4.1. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij vanwege zijn persoonlijkheidsstoornis snel gekrenkt zal zijn en wantrouwende reacties zal vertonen wat kan leiden tot conflicten of vermijdingsgedrag. De geduide functies die voor appellant geschikt zijn bevonden, wijken qua samenwerken nauwelijks af van zijn eigen functie waarvoor hij niet geschikt is bevonden. Ter zitting is nader toegelicht dat evenals in zijn eigen functie, in de geduide functie van machinaal metaalbewerker, sbc-code 264122, hoewel kortdurend, er samengewerkt moet worden bij het werken met een schroef waarbij vooral veiligheid een rol speelt. Gelet op appellants persoonlijkheid is deze functie niet geschikt omdat al snel conflicten kunnen ontstaan wat, gelet op het veiligheidsaspect in deze functie, gevaar kan opleveren voor zowel hem als zijn collega’s. Ook de andere geduide functies zijn niet geschikt omdat, evenals in zijn eigen functie, dient te worden samengewerkt met het risico van het ontstaan van conflicten.


4.2. Reagerend op deze gronden heeft bezwaararbeidsdeskundige Stroband bij rapport van 29 augustus 2012 per functie aangegeven of deze wat betreft samenwerking in relatie tot conflicthantering geschikt zijn te achten voor appellant. Hij komt daarbij tot de conclusie dat de in bezwaar resterende functies geschikt zijn voor appellant aangezien deze functies een eigen afgebakende taak hebben, het samenwerken beperkt is tot het maken van praktische werkafspraken en de functies geen dan wel geen bijzondere belasting kennen wat betreft conflicthantering.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. Evenals de rechtbank, is de Raad van oordeel dat in voldoende mate rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant en daarom onderschrijft hij de medische grondslag van het bestreden besluit. In de gronden van het hoger beroep zijn geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies van de door de verzekeringsarts geraadpleegde psychiater Leta voor onjuist te houden. Deze verzekeringsarts heeft naar aanleiding van de expertise een zorgvuldig onderzoek verricht en op inzichtelijke wijze uiteen gezet hoe zij de door psychiater Leta aangegeven beperkingen heeft neergelegd in de FML. Uit de voorhanden medische gegevens is niet gebleken dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Nu in hoger beroep door appellant geen nadere medische gegevens zijn ingebracht, is er geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.


5.2. Vervolgens is de vraag aan de orde of het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.


5.2.1. Desverzocht heeft bezwaararbeidsdeskundige Stroband in zijn rapport van 29 augustus 2012 een nadere toelichting gegeven op de geduide functies op het aspect samenwerken in relatie tot conflicthantering en deze alle geschikt bevonden. De Raad is echter niet overtuigd geraakt dat de functies machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122), samensteller metaalwaren (sbc-code 264140), papierwarenmaker, dozenmaker, kartonnagewerker (sbc-code 268040), medewerker tuinbouw (sbc-code 111010), medewerker reinigingsdienst (111090), productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (sbc-code 111172), gelet op het vermelde in het Resultaat functiebeoordeling van deze functies, op dat aspect geschikt zijn voor appellant. In deze functies is het risico van het ontstaan van conflicten, gelet op de persoonlijkheid van appellant, niet ondenkbeeldig. Bij de functie machinaal metaalbewerker dient samengewerkt te worden bij het werken aan één schroef waarbij een veiligheidsaspect een rol speelt. Bij de functie samensteller metaalwaren is sprake van het monteren van onderdelen in lijn waarbij het product wordt doorgeschoven naar een collega. In de functie van papierwarenmaker dient samen met een collega het magazijn van de vouwmachine gevuld te worden. Bij de functie medewerker tuinbouw dient met meerdere collega’s aan een lopende band gewerkt te worden. Hoewel er sprake is van een afgebakende deeltaak, wordt bij een afwijkend werktempo de andere collega belast. Dat geldt ook bij de functie van productiemedewerker voedingsmiddelen waarbij, hoewel er sprake is van een afgebakende deeltaak, er ter voorkoming van stagnatie of tussenbuffering afstemming op elkaar nodig is. Bij de medewerker reinigingsdienst wordt er in een veegmachineteam samengewerkt en dient het straatvuil voor de machine geveegd te worden. Het Uwv heeft, gelet op deze aspecten, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze functies gelet op zijn beperkingen geschikt zijn te achten voor appellant. Deze functies kunnen dan ook niet aan de schatting ten grondslag gelegd worden.


5.2.2. Ten aanzien van de functies productiemedewerker papier, karton, drukkerij (sbc-code 111174), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), inpakker (sbc-code 111190) en productiemedewerker metaal en elektro-industrie (sbc-code 111171) is de Raad, gelet op het rapport van 29 augustus 2012 van de bezwaararbeidsdeskundige, wel overtuigd geraakt dat deze geschikt zijn te achten voor appellant. Uit de functieomschrijving en de belastende aspecten, zoals deze uit het resultaat functiebeoordeling van deze functies naar voren komen, is in deze functies sprake van louter praktische werkafspraken die niet van invloed zijn op het tempo of op (de voortgang van) het werk van en met anderen.


5.2.3. Van de onder 5.2.2. genoemde functies kunnen de drie hoogst verlonende functies met de sbc-code 111174, 111180 en 111171 aan de schatting per 10 september 2010 ten grondslag worden gelegd. De zogenoemde mediaan van deze drie functies wordt alsdan de functie van productiemedewerker industrie met een uurloon van € 9,00 (rapport bezwaararbeidsdeskundige van 14 september 2010). Vergelijking met het maatmaninkomen van € 11,43 en rekening houdend met een reductiefactor van 0,87 voor de mediane functie, levert dit een verlies aan verdiencapaciteit op van 31,50%. Dit betekent dat het vervallen van de functies onder 5.2.1. niet tot gevolg heeft dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant toeneemt tot meer dan 35%, zodat het bestreden besluit wat betreft het arbeidskundige aspect uiteindelijk berust op toereikende gronden.


5.3. Uit de overwegingen 5.2.1. tot en met 5.2.3. volgt dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een voldoende motivering is voorzien. Daarom zal de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigen. Tevens zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand worden gelaten.


6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, welke kosten, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden begroot op € 874,- wegens kosten aan verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 874,- wegens kosten aan verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Gelet op de in hoger beroep afgegeven toevoeging op grond van de Wet op de Rechtsbijstand dient het bedrag aan proceskosten van € 874,- te worden betaald aan de griffier van de Raad. Van te vergoeden reiskosten in beroep dan wel hoger beroep is de Raad niet gebleken. Appellant is immers in beide instanties niet in persoon ter zitting verschenen. Evenmin ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar, nu van het herroepen van het primaire besluit als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb geen sprake is.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 874,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;

- wijst het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten af;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 153,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.



(getekend) C.W.J. Schoor



(getekend) K.E. Haan