Centrale Raad van Beroep, 28-11-2012 / 11-2328 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY4479

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Medisch onderzoek inzichtelijk en voldoende gemotiveerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-28
Publicatiedatum
2012-11-29
Zaaknummer
11-2328 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/2328 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer



Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 maart 2011, 10/4561 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak


PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. M.L. Marcus-Daniels, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellante en heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een reactie gegeven op de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Marcus-Daniels. Het Uwv is met bericht niet verschenen.


OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als meubelstikster voor 25 uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft zij zich op 15 juni 2009 ziek gemeld met hoofdpijn- en gewrichtsklachten. In verband daarmee is haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Na onderzoek op het spreekuur van

1 december 2009 heeft de verzekeringsarts de diagnose fibromyalgie onderschreven en vastgesteld dat appellante met de daaruit voortvloeiende klachten niet langer vanwege ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid als meubelstikster voor 25 uur per week. Bij besluit van 1 december 2009 is de ZW-uitkering van appellante per die datum beëindigd.


1.2. Bij besluit van 5 januari 2010 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2009 ongegrond verklaard.


1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 juli 2010 het beroep tegen het besluit van 5 januari 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd op de grond dat het Uwv de verklaring van reumatoloog Aerts dat werkhervatting thans is uitgesloten niet voldoende gemotiveerd heeft weerlegd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.


1.4. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 17 september 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman van 10 september 2010 ten grondslag.


2. Het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv met het rapport van bezwaarverzekeringsarts Hoffman van 10 september 2010 voldoende heeft gemotiveerd waarom reumatoloog Aerts niet moet worden gevolgd in zijn opvatting dat werkhervatting niet mogelijk zou zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank rekening gehouden met de ernstige klachten en beperkingen die appellante ondervindt door de ondergrens zo laag mogelijk te stellen zodat er geen weefselschade optreedt. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. Niet gebleken is dat appellante ten tijde in geding onder behandeling was vanwege een psychische stoornis. Het Uwv heeft derhalve op goede gronden de ZW-uitkering van appellante beëindigd per 1 december 2009.


3. In hoger beroep stelt appellante dat de rechtbank en het Uwv volledig voorbij zijn gegaan aan de bevindingen van de behandelend specialisten, welke volgens appellante haar standpunt aangaande verdergaande beperkingen onderschrijven.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Ingevolge artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van de verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 van de ZW onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat voor appellante de functie van meubelstikster heeft te gelden als “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19, vijfde lid, van de ZW.


4.2. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen met betrekking tot het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen worden onderschreven. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht, het dossier bestudeerd en heeft zijn bevindingen inzichtelijk en voldoende gemotiveerd gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellante gezien op het spreekuur van 30 december 2009. Met de rapportage van 10 september 2010, aangevuld bij rapportage van 11 november 2010, heeft de bezwaarverzekeringsarts overtuigend gemotiveerd waarom reumatoloog Aerts niet gevolgd moet worden in diens opvatting dat werkhervatting is uitgesloten nu de reumatoloog geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor die opvatting. Ook de bezwaarverzekeringsarts gaat uit van de diagnose fibromyalgie en houdt rekening met de eventuele fysieke beperkingen door een zo laag mogelijke ondergrens aan te houden.


4.3. Aan de door appellante in hoger beroep overgelegde nadere medische stukken kan niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan wenst te verbinden. De brief van reumatoloog W. Hissink-Muller van 17 november 2009 beschrijft de medische situatie van appellante, inbegrepen de diagnose fibromyalgie, zoals reeds bekend was bij de verzekeringsarts en bevat derhalve geen nieuwe medische informatie. De overige overgelegde stukken zien niet op de datum in geding van 1 december 2009. Derhalve is in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellante op de datum in geding vanwege ziekte of gebrek niet in staat was haar arbeid te verrichten.


4.4. Met betrekking tot hetgeen appellante ter zitting heeft aangevoerd inzake haar psychische klachten is de Raad niet gebleken dat appellante hiervoor behandeling onderging ten tijde hier in geding. Anders dan appellante heeft gesteld is door de (bezwaar)verzekeringsartsen ook aandacht besteed aan haar psychische klachten. Uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen blijkt dat er weliswaar aanwijzingen waren dat bij appellante psychosociale problematiek (mede) een rol speelt bij het ontstaan respectievelijk in stand houden van de klachten, maar dat geen sprake is van psychopathologie en er derhalve geen beperkingen op psychisch gebied zijn.

4.5. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten de ZW-uitkering van appellante per 1 december 2009 te beëindigen.


5. Uit hetgeen in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2012.


(getekend) C.P.J. Goorden


(getekend) D.E.P.M. Bary


KR