Centrale Raad van Beroep, 28-11-2012 / 09-4454 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY5480

Inhoudsindicatie
De Raad acht van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de WWB de langdurigheidstoeslag bedoeld is als inkomensondersteuning voor personen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau (en die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt). Aangezien appellant in de referteperiode geen ander inkomen heeft ontvangen, was hij aangewezen op een inkomen op minimum niveau. Slechts door de wettelijke verhoging van zijn uitkering ingevolge de WAO is appellant in beperkte mate boven de voor hem geldende inkomensnorm gekomen. Gelet op de bedoeling van de wetgever met betrekking tot de ten tijde hier van belang van toepassing zijnde regelgeving vormt onder de gegeven omstandigheden de hoogte van het inkomen van appellant in de referteperiode dan ook geen beletsel voor toekenning van de langdurigheidstoeslag. De opvatting van de Raad spoort ook met de uitleg van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de brief aan de Tweede Kamer van 7 december 2004 (kamerstukken II, 2004-2005, 28 870, nr. 127). Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-28
Publicatiedatum
2012-12-07
Zaaknummer
09-4454 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2013/8
Uitspraak

09/4454 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2009, 08/4444 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellant] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)


Datum uitspraak: 28 november 2012


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.


OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).


1.2. Op 20 mei 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.3. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij gedurende de periode van 60 maanden voorafgaand aan de aanvraag niet in enige periode een inkomen mag hebben gehad dat hoger is dan het toetsinkomen. In de referteperiode heeft appellant van 1 juni 2003 tot 1 juli 2007 per maand een inkomen genoten dat gemiddeld ongeveer € 10,-- lager was dan het toetsinkomen, in de periode van 1 juli 2007 tot 31 mei 2008 was zijn inkomen gemiddeld ongeveer € 10,-- per maand hoger dan het toetsinkomen.


1.4. Bij besluit van 29 september 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2008 ongegrond verklaard. Aan het besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de uitkering ingevolge de WAO van appellant met ingang van 1 juli 2007 wettelijk is verhoogd van 70% naar 75% als gevolg waarvan hij niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gestelde voorwaarde.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college bij de aanvraag om een langdurigheidstoeslag ten onrechte de peildatum 1 mei 2008 in plaats van 1 juni 2008 gehanteerd. Appellant heeft niet voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een onondergebroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, en

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.


4.2. In artikel 36, vierde lid, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde van belang, is bepaald dat het college, in afwijking van artikel 36, eerste lid, van de WWB, op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder:

a. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de WAJONG, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%,

b. voor wie bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien van het arbeidsdeskundig onderzoek, en

c. die voldoet aan artikel 36, eerste lid, onderdelen a en b, voor zover het inkomsten uit arbeid betreft, c en d.


4.3. De Raad stelt vast dat ter zake van de op 20 mei 2008 aangevraagde langdurigheidstoeslag van belang is of appellant op de peildatum 1 juni 2008 heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste of vierde lid, van de WWB gestelde voorwaarden. De hoogte van het inkomen van appellant in de referteperiode van 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2008 is daarbij bepalend. Als regel dient bij de berekening van het inkomen te worden uitgegaan van het netto-inkomen inclusief eventuele vakantietoeslag zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY0261.


4.4. Uit de gedingstukken blijkt dat in de referteperiode voor appellant de bijstandsnorm voor een alleenstaande van toepassing was, vermeerderd met een toeslag. Vergelijking van dat inkomen - het toetsinkomen - van appellant met zijn (netto) uitkering ingevolge de WAO heeft uitgewezen dat het inkomen van appellant in de referteperiode in 49 maanden een fractie lager is geweest dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en in 11 maanden van de referteperiode een fractie hoger is geweest.


4.5. De Raad heeft in zijn uitspraak van 19 augustus 2008, LJN BE8918 overwogen dat de omstandigheid dat het inkomen in enkele maanden een fractie hoger is geweest dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm niet aan toekenning van een langdurigheidstoeslag in de weg staat. Ook in het onderhavige geval komt de Raad tot dit oordeel. Daarbij acht de Raad van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de WWB de langdurigheidstoeslag bedoeld is als inkomensondersteuning voor personen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau (en die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt). Aangezien appellant in de referteperiode geen ander inkomen dan het in 1.3 en 4.4 gereleveerde inkomen heeft ontvangen, was hij aangewezen op een inkomen op minimum niveau. Slechts door de wettelijke verhoging van zijn uitkering ingevolge de WAO is appellant in beperkte mate boven de voor hem geldende inkomensnorm gekomen. Gelet op de bedoeling van de wetgever met betrekking tot de ten tijde hier van belang van toepassing zijnde regelgeving vormt onder de gegeven omstandigheden de hoogte van het inkomen van appellant in de referteperiode dan ook geen beletsel voor toekenning van de langdurigheidstoeslag. De opvatting van de Raad spoort ook met de uitleg van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de brief aan de Tweede Kamer van 7 december 2004 (kamerstukken II, 2004-2005, 28 870, nr. 127).


4.6. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.


5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 437,--. in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 september 2008;

- bepaalt dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,--

- bepaalt dat de gemeente aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en M.I. ’t Hooft

als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is

uitgesproken in het openbaar op 28 november 2012.


(getekend) R.M. van Male


(getekend) N.M. van Gorkum


RB