Centrale Raad van Beroep, 13-11-2012 / 11-811 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY5581

Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2013:1884. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2012:1169, onderstaande tekst is niet meer geldig
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-13
Publicatiedatum
2012-12-10
Zaaknummer
11-811 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/811 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2010, 10/714 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats](college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [T.] hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting, gevoegd met het onderzoek in de zaken 11/810 WWB,

11/4692 WWB, 11/812 WWB en 11/813 WWB, heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Voor appellant is [T.] verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 29 oktober 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft [Adres A.] te [woonplaats]als zijn woonadres opgegeven. Uit een onderzoek is volgens het college onder meer gebleken dat appellant vanaf 25 januari 2010 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [M.]([M.]), die van het college bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontving en die toen op het adres [M.] te [woonplaats]woonde.


1.2.

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft het college de bijstand met ingang van 25 januari 2010 ingetrokken.


1.3.

Bij besluit van 25 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2010 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant en [M.] samen een kind hebben, dat zij op en na 25 januari 2010 hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van [M.] aan de [M.] en dat er daarom sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid en onder b, van de WWB.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te noemen gronden gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.


4.1.

Appellant heeft in hoger beroep ontkend dat hij samen met [M.] een kind heeft en hij heeft er voorts op gewezen dat de waarnemingen niet kunnen leiden tot het oordeel dat appellant bij [M.] woonde, dat appellant bij het huisbezoek op 25 januari 2010 aan de [M.] niet is aangetroffen en dat ook niet is gebleken dat appellant daar woonde.


4.2.

Het college heeft zijn oordeel gebaseerd op het resultaat van het huisbezoek op 25 januari 2010 aan het adres [M.] te [woonplaats], aan de waarnemingen die bij die woning hebben plaatsgevonden in de periode van 15 tot en met 20 januari 2010, de resultaten van de huisbezoeken aan het vorige adres van appellante, [Adres C.] te [woonplaats], en het buurtonderzoek met getuigenverhoor dat daar destijds heeft plaatsgevonden.


4.3.

Vooropgesteld moet worden dat het hier uitsluitend gaat om de woon- en leefsituatie van appellant over de te beoordelen periode van 25 januari 2010 tot en met 29 januari 2010 en dat vaststaat dat [M.] toen woonachtig was in de [M.]. Dit betekent dat de resultaten van de huisbezoeken aan het adres [Adres C.] en van het buurtonderzoek dat daar heeft plaatsgevonden hier geen rol van betekenis kunnen spelen. Dan resteren de resultaten van het huisbezoek op 25 januari 2010 en de onder 4.2 genoemde waarnemingen. Op 25 januari 2010 is appellant niet aangetroffen in de woning van [M.]. Er is daar wel geconstateerd dat zich op een matras onder de dekens een onbekende persoon bevond. [M.] heeft desgevraagd verklaard dat dit haar vriend was, maar zij heeft de naam van die vriend niet willen noemen. Naar aanleiding hiervan is het huisbezoek zonder verder onderzoek naar eventueel aanwezige persoonlijke bezittingen van appellant beëindigd. Bij de onder 4.2 genoemde observaties is op vijf ochtenden omstreeks dezelfde tijd waargenomen dat appellant al dan niet in werkkleding de woning aan de [M.] verliet. Die waarnemingen kunnen echter niet zonder meer tot de conclusie leiden dat appellant in de hier van belang zijnde beoordelingsperiode ook op dat adres zijn hoofdverblijf had.


4.4.

Nu er verder geen gegevens voorhanden zijn waarop de intrekking met ingang van

25 januari 2010 is gebaseerd, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant met ingang van 25 januari 2010 zijn hoofdverblijf had in de woning van [M.]. Het standpunt van het college dat appellant en [M.] met ingang van die datum een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van artikel 3, vierde lid en onder b, van de WWB, berust dan ook op onvoldoende feitelijke grondslag. Dit betekent tevens dat de door appellant aangevoerde grond dat hij nimmer heeft erkend dat hij uit de relatie met [M.] één of meer kinderen heeft, hier voor de beoordeling van het hoger beroep niet van belang is en buiten bespreking blijft.


4.5.

Nu de rechtbank het voorgaande niet heeft onderkend, slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Tevens zal de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Gelet op de korte periode die ter beoordeling voorligt, van 25 tot en met 29 januari 2010, acht de Raad het niet zinvol het college thans nog op te dragen ter zake een nieuw besluit te nemen. De Raad zal daarom het besluit van 29 januari 2010 herroepen.


5.

De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 25 maart 2010;
  • - herroept het besluit van 29 januari 2010;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,--;
  • - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C.H. Bangma en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) M.R. Schuurman






Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.





SG