Centrale Raad van Beroep, 30-11-2012 / 10-1014 WIA


ECLI:NL:CRVB:2012:BY5780

Inhoudsindicatie
Geen recht op een Wet WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-30
Publicatiedatum
2012-12-11
Zaaknummer
10-1014 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1014 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 januari 2010, 09/1241 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak 30 november 2012.


PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Desgevraagd heeft [naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (werkgever), bij brief van 22 maart 2010 meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen. Appellante heeft meegedeeld geen toestemming te verlenen haar medische gegevens ter kennisname van werkgever te brengen.


Werkgever heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.


Appellante heeft op 3 augustus 2012 een aantal stukken overgelegd.


Bij brief van 22 augustus 2012 heeft de Raad de werkgever een vraag gesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012.

Appellante en het Uwv zijn - beide met bericht - niet verschenen. Voor de werkgever hebben [F.] en [K.] het woord gevoerd.


Het onderzoek ter zitting is geschorst.


Werkgever heeft bij brief van 28 augustus 2012 gereageerd op de hiervoor vermelde vraag van de Raad.


Werkgever heeft desgevraagd bij brief van 9 oktober 2012, anders dan eerder op 22 maart 2010 is vermeld, meegedeeld niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen.


Partijen hebben de Raad toestemming gegeven voor het achterwege laten van de nadere zitting. Hierna heeft de Raad het onderzoek gesloten.


OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als beveiliger voor gemiddeld 37,06 uur per week. Zij heeft zich met ingang van 2 maart 2007 arbeidsongeschikt gemeld voor dit werk als gevolg van chronische rugklachten.


2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 14 januari 2009 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Op basis van de anamnese, diagnostiek, lichamelijk onderzoek en informatie van de behandelend specialisten, waaruit volgens de verzekeringsarts naar voren kwam dat bij appellante sprake was van aspecifieke lage rugklachten met discopathie L5-S1 zonder wortelcompressie, zag de verzekeringsarts reden lichte tot matige beperkingen van de rugbelastbaarheid aan te nemen. Deze beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd bij functieduiding vastgesteld dat het loonverlies 21,8% bedroeg. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 4 februari 2009 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 27 februari 2009 geen recht op een Wet WIA-uitkering was ontstaan.


3. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts de beschikking over informatie van de neuroloog prof. dr. J. Stam van 13 januari 2009. Deze neuroloog vermeldde dat er op dat moment onvoldoende aanwijzingen waren voor een radiculair syndroom en dat de anamnese niet verdacht was voor neurogene claudicatio. De neuroloog adviseerde betere pijnstilling en fysiotherapie in combinatie met afvallen. De bezwaarverzekeringsarts vermeldde in haar rapport van 9 juni 2009 deze informatie en informatie van 17 april 2009 over pijnbestrijding waarbij als diagnose was gesteld lumbosacralgie. Gelet op deze informatie onderschreef de bezwaarverzekeringsarts de FML, zij het dat zij het in verband met de medicatie aangewezen achtte aan de FML beperkingen ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico (item 1.9.9) en beroepsmatig autorijden (item 2.12.6) toe te voegen.

De bezwaararbeidsdeskundige stelde in een rapport van 17 juni 2009 dat verhoogd persoonlijk risico en autorijden in de geduide functies niet voorkomen. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 18 juni 2009 het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2009 ongegrond.


4. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 18 juni 2009 (bestreden besluit) ongegrond. Zij onderschreef - kort gezegd - de medische beoordeling door de verzekeringsartsen en de vaststelling van de medische geschiktheid van de geduide functies door de bezwaararbeidsdeskundige.


5. In hoger beroep heeft appellante op 12 februari 2010 aangevoerd dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met haar ernstige rugklachten en dat binnenkort in verband met haar klachten fixatie van haar rug zal plaatsvinden. Omdat de FML niet juist is, gaan voorts de geduide functies volgens appellante haar belastbaarheid te boven.


6.1. De Raad stelt vast dat werkgever - zoals in de rubriek procesverloop is vermeld - bij brief van 9 oktober 2012 heeft meegedeeld, anders dan op 22 maart 2010 te kennen is gegeven, niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Gelet hierop zal de Raad de werkgever in hoger beroep dan ook niet als partij beschouwen.


6.2. De Raad heeft in het hoger beroep geen aanknopingspunten gezien het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De in hoger beroep door appellante overgelegde stukken, waaronder brieven van de haar behandelende dermatoloog van 4 juli 2011 en van het oogziekenhuis Zonnestraal van

17 januari 2012, bevatten geen informatie waaraan aanknopingspunten kunnen worden ontleend voor het standpunt van appellante dat haar belastbaarheid op de datum in geding is overschat. Deze stukken bevatten ook geen informatie over de aangekondigde fixatie van de rug van appellante, welke overigens, gezien de in overweging 3 vermelde informatie van Stam, kennelijk eerst ongeveer een jaar na de datum in geding in beeld is gekomen.


6.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, zoals in de bezwaarprocedure aangepast, ziet ook de Raad geen reden de motivering door de bezwaararbeidsdeskundige van de medische geschiktheid van de geduide functies voor onjuist te houden.


6.4. De overwegingen 6.2 en 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2012.


(getekend) C.W.J. Schoor


(getekend) M.R. Schuurman


GdJ