Centrale Raad van Beroep, 16-07-2013 / 12-4025 WWB


ECLI:NL:CRVB:2013:1010

Inhoudsindicatie
Opschorting bijstand omdat appellante niet tijdig de voor de beoordeling van het recht op bijstand van belang zijnde bankafschriften heeft verstrekt, hetgeen haar valt te verwijten. Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellante vanaf 1 januari 2009 niet langer duurzaam gescheiden leeft. Schending inlichtingenverplichting. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Het intrekkingsbesluit is door de rechtbank gedeeltelijk herroepen. Alsnog vergoeding kosten in bezwaar. Geen reformatio in peius: terugvorderingsbedrag is gebruteerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2013-07-16
Publicatiedatum
2013-07-22
Zaaknummer
12-4025 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/4025 WWB, 12/5141 WWB, 12/5142 WWB, 12/5147 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 6 oktober 2011, 10/879, 10/880 en 10/881 (aangevallen tussenuitspraak) en 6 juni 2012, 10/879, 10/880 en 10/881 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit ingezonden. Desgevraagd heeft het dagelijks bestuur nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 juni 2013, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante is gehuwd met [naam echtgenoot]([echtgenoot]. Samen hebben zij twee kinderen. Appellante ontving met ingang van 17 december 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Daaraan voorafgaand ontving zij met [echtgenoot] bijstand naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Na een melding op 24 maart 2009 dat [echtgenoot] weer bij appellante op het adres [Adres A] te [woonplaats] (uitkeringsadres) woont, heeft de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSD) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is een huisbezoek aan de woning van appellante gebracht, is appellante verhoord en zijn diverse buurtbewoners gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 juli 2009.


1.3.

De RSD heeft appellante bij brief van 11 mei 2009 uitgenodigd voor een gesprek op

25 mei 2009. De RSD heeft appellante in de brief onder andere gevraagd om van vier rekeningnummers de bankafschriften vanaf 1 februari 2008 mee te nemen. Appellante is op 25 mei 2009 op gesprek verschenen. Omdat zij niet alle gevraagde bankafschriften had meegenomen, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 29 juni 2009, voor zover hier van belang, het recht op bijstand met ingang van 25 mei 2009 opgeschort.


1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 3 september 2009 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2009 in te trekken en bij besluit van 18 september 2009, voor zover hier van belang, de over de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 mei 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.471,71 netto van appellante terug te vorderen.


1.5.

Het dagelijks bestuur heeft de tegen de besluiten van 29 juni 2009, 3 september 2009 en 18 september 2009 gerichte bezwaren bij afzonderlijke besluiten van 1 februari 2010 (bestreden besluiten 1, 2 en 3) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1, betreffende de opschorting, ligt ten grondslag dat appellante niet tijdig de voor de beoordeling van het recht op bijstand van belang zijnde bankafschriften heeft verstrekt, hetgeen haar valt te verwijten. Aan de bestreden besluiten 2 en 3, betreffende de intrekking onderscheidenlijk de terugvordering, ligt ten grondslag dat appellante vanaf 1 januari 2009 niet langer duurzaam gescheiden leeft van [echtgenoot]. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door daar geen melding van te maken, als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend.


2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat er, gelet op de op 24 maart 2009 ontvangen melding, voldoende grondslag was voor het door het dagelijks bestuur verrichte onderzoek. Het dagelijks bestuur heeft in het kader van dat onderzoek bankafschriften opgevraagd. Die zijn niet tijdig verstrekt. Dit valt appellante te verwijten. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd om op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB het recht op bijstand van appellante op te schorten met ingang van 25 mei 2009. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, voorts overwogen dat het dagelijks bestuur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en [echtgenoot] al op 1 januari 2009 niet langer duurzaam gescheiden leefden. De rechtbank heeft het dagelijks bestuur in de aangevallen tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld dit gebrek in bestreden besluit 2, betreffende de intrekking van bijstand, te herstellen.


2.2.

Het dagelijks bestuur heeft bij brief van 10 november 2011 gebruik gemaakt van de mogelijkheid het in 2.1 genoemde gebrek te herstellen en te kennen gegeven dat appellante met ingang van 20 januari 2009, de dag dat [echtgenoot] naar Nederland terugkeerde, geacht wordt niet langer duurzaam gescheiden te leven. De rechtbank heeft daarna, onder verwijzing naar de aangevallen tussenuitspraak, de aangevallen einduitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en bestreden besluit 2 vernietigd, voor zover daarbij de bijstand van appellante per 1 januari 2009 is ingetrokken. Omdat de gedingstukken volgens de rechtbank voldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat appellante sinds 20 januari 2009 niet langer duurzaam gescheiden leefde van [echtgenoot], heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het besluit van 3 september 2009 te herroepen en te bepalen dat de ingangsdatum van de intrekking

20 januari 2009 is, in plaats van 1 januari 2009. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaard, bestreden besluit 3 vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2009. Daarbij is overwogen dat het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand kan terugvorderen over de periode van 20 januari 2009 tot en met 24 mei 2009. De rechtbank heeft tot slot het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten.


3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak gekeerd.


4.

Ter uitvoering van de aangevallen einduitspraak heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 7 augustus 2012 (nader besluit) het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2009 in zoverre gegrond verklaard, dat de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

20 januari 2009 tot en met 24 mei 2009 tot een bedrag van € 5.602,65 bruto van appellante worden teruggevorderd. De Raad zal het nader besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.


5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak

5.1.1. Appellante voert in de eerste plaats aan dat de opschorting niet kan worden gebaseerd op een door haar genoemd besluit van 26 mei 2009. Bij dat besluit was het recht van appellante per 25 mei 2009 opgeschort. Omdat dit besluit is komen te vervallen, kan de opschorting volgens appellante niet worden gebaseerd op het besluit van 26 mei 2009.


5.1.2. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat het in deze procedure niet gaat om een besluit van 26 mei 2009, maar om het opschortingsbesluit van 29 juni 2009, dat na bezwaar is gehandhaafd bij bestreden besluit 1.


5.2.1. Appellante voert voorts aan dat er voor het dagelijks bestuur onvoldoende aanleiding was een onderzoek op te starten en dat een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek ontbrak. Een anonieme tip levert geen redelijke grond op. Omdat een redelijke grond ontbrak, was volgens appellante van informed consent geen sprake. In dat verband voert zij verder aan dat uit het rapport van 14 juli 2009 niet blijkt dat appellante op de gevolgen is gewezen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft.


5.2.2. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank in de aangevallen tussenuitspraak terecht heeft overwogen, kon het dagelijks bestuur, na de melding dat [echtgenoot] weer bij appellante woonde, gebruik maken van de in artikel 53a van de WWB neergelegde algemene onderzoeksbevoegdheid. Na die melding zijn er tussen 8 april 2009 en 22 april 2009 zeven waarnemingen verricht bij de woning van appellante. Daarbij is de auto van [echtgenoot] zes van de zeven keer aangetroffen op de parkeerplaats voor de portiekdeur van de woning van appellante. Appellante heeft vervolgens op 4 mei 2009 in een telefoongesprek met de RSD verklaard dat zij geen contact meer had met [echtgenoot]. De rechtbank heeft in de aangevallen tussenuitspraak terecht overwogen dat, gelet op de melding en de daarop volgende waarnemingen, redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens en dat die gegevens niet op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze konden worden geverifieerd. Dit betekent dat er een redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek aan de woning van appellante. Uit het door appellante ondertekende formulier ‘toestemming huisbezoek’ van 7 mei 2009 blijkt dat haar is uitgelegd dat het niet verlenen van toestemming voor het afleggen van het huisbezoek gevolgen kan hebben voor haar recht op bijstand. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat voldaan was aan het vereiste van informed consent.


5.3.1. Appellante betoogt voorts, kort samengevat, dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om tot de conclusie te kunnen komen dat ten tijde thans nog van belang niet langer sprake was van duurzaam gescheiden leven.


5.3.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 november 2010, LJN BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.


5.3.3. Anders dan appellante en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er een toereikende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat appellante in de periode in geding niet duurzaam gescheiden leefde van [echtgenoot] in de onder 5.3.2 bedoelde zin. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat appellante heeft verklaard dat [echtgenoot] appellante sinds januari 2008 gemiddeld twee maal per week bezoekt. Daarnaast hebben vier bewoners van [Adres A]verklaard dat op het uitkeringsadres al jaren een man, een vrouw en twee kinderen wonen. Uit deze verklaringen kan niet anders worden afgeleid dan dat de man [echtgenoot] is. Zo zou appellante hebben verteld dat de man de vader van haar kinderen is. Dat de buurtbewoners geen foto van [echtgenoot] is getoond, zoals appellante heeft aangevoerd, is daarom in dit geval niet relevant. Dat van duurzaam gescheiden leven geen sprake was, vindt tot slot steun in de waarnemingen in april 2009 en de bevindingen tijdens het huisbezoek, waarbij vele persoonlijke spullen van [echtgenoot] zijn aangetroffen.


5.4.

Appellante heeft niet gemeld dat zij en [echtgenoot] niet langer duurzaam gescheiden leefden. Daarmee heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien in de in geding zijnde periode geen sprake was van duurzaam gescheiden leven, moesten appellante en [echtgenoot] in die periode als gehuwden worden beschouwd. Dit betekent dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Anders dan appellante heeft aangevoerd, was het in die situatie niet aan het dagelijks bestuur om nader te onderzoeken of appellante en [echtgenoot] in aanmerking kwamen voor (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden.


5.5.1.

Appellante voert voorts aan dat haar ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten.


5.5.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen einduitspraak het intrekkingsbesluit van

3 september 2009 gedeeltelijk herroepen. Nu ook is voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor het vergoeden van de bezwaarkosten, komt het daartoe strekkende verzoek van appellante voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank heeft op dit punt niet beslist, zodat het hoger beroep in zoverre slaagt. De aangevallen einduitspraak zal daarom worden vernietigd, voor zover daarbij het dagelijks bestuur niet is veroordeeld tot vergoeding van de kosten in bezwaar tegen het besluit van 3 september 2009. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het dagelijks bestuur veroordelen tot vergoeding van de door appellante in verband met de behandeling in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 472,-- (1 punt voor het bezwaarschrift). De aangevallen einduitspraak zal voor het overige worden bevestigd, voor zover aangevochten.


5.6.

De aangevallen tussenuitspraak dient te worden bevestigd, nu de daartegen gerichte gronden niet slagen.


Het nader besluit


5.7.1.

Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van reformatio in peius, omdat bij het nader besluit een hoger bedrag is teruggevorderd dan bij bestreden besluit 3.


5.7.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De reden dat bij het nader besluit tot een hoger bedrag is teruggevorderd dan bij bestreden besluit 3 het geval was, houdt verband met het feit dat het dagelijks bestuur het terug te vorderen bedrag heeft gebruteerd. Die bevoegdheid komt het dagelijks bestuur ook los van het bezwaar toe. De wijziging ten nadele van appellante is in zoverre toegestaan.


5.7.3.

De overige beroepsgronden die appellante tegen het nader besluit heeft aangevoerd, zijn dezelfde als die zij tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak heeft aangevoerd en behoeven geen bespreking meer.


5.8.

Uit 5.7.1 tot en met 5.7.3 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond dient te worden verklaard.


5.9.

Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen tussenuitspraak;
  • - vernietigt de aangevallen einduitspraak voor zover daarbij het dagelijks bestuur niet is veroordeeld tot vergoeding van de kosten in bezwaar tegen het besluit van 3 september 2009;
  • - bevestigt de aangevallen einduitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2012 ongegrond;
  • - veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 944,--;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 115,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.F. Claessens en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2013.




(getekend) E.J.M. Heijs



(getekend) V.C. Hartkamp



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.


ew