Centrale Raad van Beroep, 12-03-2014 / 14-131 WMO-VV


ECLI:NL:CRVB:2014:1056

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Het indicatiebesluit waarop het verzoek betrekking heeft loopt tot en met 31 december 2013. Hieruit vloeit voort dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-03-12
Publicatiedatum
2014-04-07
Zaaknummer
14-131 WMO-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/131 WMO-VV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders Enkhuizen (college)

Datum uitspraak: 12 maart 2014

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft haar vader en wettelijk vertegenwoordiger, [naam vader], hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 2 december 2013, 13/1661 en 13/1662.

Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2014. Voor verzoekster is verschenen [naam vader]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.L. Deenstra en H. Mentink.

OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college voor de periode van 1 januari 2009 tot

1 januari 2014 aan verzoekster een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp toegekend van € 457,60 per maand. Daarmee wordt zij geacht per week zes uur huishoudelijke hulp te bekostigen. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen bezwaar gemaakt.


1.2. Bij brief van 5 februari 2013 heeft verzoekster een aanvraag voor meer uren huishoudelijke hulp in 2013 ingediend, alsmede voor meer hulp met terugwerkende kracht tot

1 januari 2009. Dit verzoek heeft het college afgewezen bij besluit van 10 april 2013 omdat door appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen die een heroverweging van het toekenningsbesluit van 10 maart 2009 rechtvaardigen. Het bezwaar van verzoekster tegen deze afwijzing is bij besluit van 22 augustus 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening aangevraagd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.


3.

Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, stellende dat zij een spoedeisend belang heeft bij de toekenning van meer uren huishoudelijke hulp omdat haar gezondheidstoestand steeds verder achteruitgaat. Bij de toekenning van huishoudelijke hulp is daarmee geen rekening gehouden omdat aan de besluitvorming geen deugdelijk medisch onderzoek ten grondslag is gelegd. Daarbij loopt de indicatie af op 1 januari 2014, zodat met ingang van die datum een nieuwe indicatie moet worden afgegeven en verzoekster vreest dat er daarbij weer niet voldoende uren huishoudelijke hulp zullen worden toegekend.


4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Het indicatiebesluit waarop het verzoek betrekking heeft loopt tot en met 31 december 2013. Hieruit vloeit voort dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.


4.3.

Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.


5.

Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2014.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) Z. Karakezi



GdJ