Centrale Raad van Beroep, 26-03-2014 / 13-5029 WSF


ECLI:NL:CRVB:2014:1082

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering studiefinanciering. Boete. Niet verschoonbare termijn indiening bezwaarschrift. Omvang geding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-03-26
Publicatiedatum
2014-04-03
Zaaknummer
13-5029 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2014/138
Uitspraak

13/5029 WSF

Datum uitspraak: 26 maart 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

31 juli 2013, 13/821 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014. Namens appellante is

mr. Boomstra verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 3 november 2012 heeft de Minister appellante vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 1.905,40, dat als gevolg van de herziening te veel aan appellante is betaald, teruggevorderd.


1.2. Bij brief van 9 november 2012 heeft de Minister appellante meegedeeld dat hij het voornemen heeft appellante een boete op te leggen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven.


1.3. Bij brief van 3 januari 2013 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de herziening en terugvordering bij het besluit van 3 november 2012 en tegen het voornemen tot het opleggen van een boete als neergelegd in de brief van 9 november 2012.


1.4. Bij besluit van 31 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en een verschoonbare reden daarvoor ontbreekt. Voorts is bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de brief van 9 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het voornemen tot het opleggen van een boete geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Te kennen is gegeven dat appellante binnenkort een beslissing omtrent het opleggen van een boete ontvangt.


2.1. Appellante heeft in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat zij het besluit van

3 november 2012 niet heeft ontvangen. De bezwaartermijn is volgens appellante eerst aangevangen op 2 januari 2013, de datum waarop de Minister haar een duplicaat van het besluit van 3 november 2013 heeft verstrekt, zodat tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 3 november 2012.


2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de Minister weliswaar geen bewijs van verzending van het besluit van 3 november 2012 heeft overgelegd, maar uit het zich in het dossier bevindende diagnosedocument van het Juridisch Loket Amsterdam blijkt dat appellante op 20 november 2012 door deze instantie is verwezen voor rechtsbijstand in verband met het besluit van 3 november 2012. Daartoe zijn de volgende twee passages uit het diagnosedocument van belang geacht:



1. “

Omschrijving juridisch probleem”.

“Cliënt heeft een voornemen opleggen boete ontvangen, nog geen besluit. Daarnaast heeft cliënt een bericht ontvangen dat de uitwonendenbeurs is omgezet naar inwonendenbeurs. Cliënt is het er niet mee eens en wil in bezwaar.”

2. “

Inhoud advies”.

“Tijdens spreekuur gebeld met DUO en cliënt wordt nog gebeld over boetebesluit. Tegen het bericht dat de beurs is omgezet en dat cliënt te veel studiefinanciering ontvangen zou hebben staat bezwaar open. Advies bijstand advocaat.”


Dit betekent volgens de rechtbank dat appellante in elk geval uiterlijk op 20 november 2012 bekend was met de inhoud van het primaire besluit en dat de bezwaartermijn op die dag is begonnen. Daarvan uitgaande verliep de termijn op 2 januari 2013 en nu het bezwaarschrift eerst op 3 januari 2013 is ingediend, is te laat bezwaar gemaakt. Van een verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is niet gebleken. De Minister heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.


3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet tijdig bezwaar is gemaakt. Op het tijdstip waarop appellante advies vroeg aan het Juridisch Loket wist ze niet dat zij reeds een boete had gehad. De brief die uiteindelijk is ontvangen heeft de Minister haar in een later stadium toegezonden.


4.

De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.2.

Het besluit van 3 november 2012 is niet aangetekend verzonden. De Minister stelt zich op het standpunt dat dit besluit op 5 november 2012 aan appellante is verzonden. Appellante stelt dat zij het besluit van 3 november 2012 niet heeft ontvangen. De hoogste bestuursrechters hanteren als uitgangspunt dat, in geval de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen.


4.3.

Het in 4.2 vermelde uitgangspunt laat onverlet dat de verzending van een besluit zonder nader bewijs kan worden aangenomen indien uit de beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat het desbetreffende besluit wel moet zijn ontvangen. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 16 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG7243, gaat het dan met name om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit door de belanghebbende handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat het besluit wel moet zijn ontvangen.


4.4.

In het onderhavige geval doet zich een situatie voor als beschreven in 4.3. Uit de onder 2.2 weergegeven passages uit het diagnosedocument van het Juridisch Loket Amsterdam valt immers af te leiden dat appellante het besluit van 3 november 2012 wel moet hebben ontvangen en daarmee dat dit besluit wel moet zijn verzonden.


4.5.

Uitgaande van een bekendmaking van het besluit van 3 november 2012 op 5 november 2012 is het bezwaarschrift van 3 januari 2013 ruim na afloop van de termijn ingediend. Ook al zou worden uitgegaan van een ontvangstdatum van het besluit van 3 november 2012 kort voor, of op, 20 november 2012, dan zou voor appellante voldoende tijd hebben geresteerd om tijdig - desnoods voorlopig - een bezwaarschrift in te dienen. Van redenen waarom deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, is dan ook niet gebleken. De Raad voegt hieraan toe dat de opmerking van appellante in hoger beroep dat zij op 20 november 2012 niet wist dat zij reeds een boete had gekregen, daargelaten wat daarvan zij, in ieder geval niet van betekenis is voor de onderhavige beoordeling. Bij het in deze procedure aan de orde zijnde besluit van

3 november 2012 is geen boete opgelegd. Het besluit waarbij aan appellante een boete is opgelegd is, zoals uit de gedingstukken blijkt, eerst genomen op 5 februari 2013. Daartegen stond een apart rechtsmiddel open voor appellante. Het boetebesluit van 5 februari 2013 valt buiten de omvang van dit geding.


4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht, zij het deels op niet geheel juiste gronden, tot het oordeel is gekomen dat de Minister op goede gronden het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2012 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt daarom, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.


5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2014.




(getekend) J. Brand




(getekend) M.P. Ketting




RB