Centrale Raad van Beroep, 04-06-2014 / 12-3772 WIA


ECLI:NL:CRVB:2014:1874

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Beperkingen niet onderschat. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Herhaling van de gronden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-04
Publicatiedatum
2014-06-05
Zaaknummer
12-3772 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3772 WIA

Datum uitspraak: 4 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2012, 11/4354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere medische gegevens overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapport van een verzekeringsarts overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 2014 waar appellante met bericht niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor gemiddeld 37 uur per week, heeft zich op 29 juni 2009, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziekgemeld vanwege maag- en vermoeidheidsklachten, en psychischeklachten. Op 23 maart 2011 heeft zij een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.


1.2. Bij besluit van 27 augustus 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat zij met ingang van 27 juni 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 18 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat sprake is geweest van een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank heeft geen medische grondslag aangetroffen in het dossier voor de stelling van appellante dat haar belastbaarheid op met name het psychische aspect en de daarbij behorende beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren is onderschat. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 februari 2012 gemotiveerd heeft waarom het behandelplan van Noagg, Centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg, van 25 januari 2012 hem niet tot een ander oordeel over de beperkingen van appellante heeft gebracht. De rechtbank heeft dan ook de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperkingen, zoals beschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 november 2011, onderschreven. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 november 2011, de geselecteerde functies geschikt geacht voor appellante. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat deze functies door de bezwaararbeidsdeskundige met de bezwaarverzekeringsarts zijn besproken en dat de bezwaararbeidsdeskundige voorts de, in de resultaat functiebelasting van de geselecteerde functies, aanwezige signaleringen heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien te oordelen dat appellante de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de berekening van haar arbeidsongeschiktheidspercentage gebaseerd is op een, achteraf gezien, niet correcte FML waarbij haar arbeidsbeperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante het ‘journaal’ van Noagg overgelegd, betrekking hebbende op de periode van

19 december 2011 tot en met 29 augustus 2012.


3.2.

In verweer heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat in hoger beroep in essentie gelijke gronden als in beroep worden aangevoerd en dat de stelling van appellante dat per de datum in geding haar met name psychische beperkingen zijn onderschat, niet wordt ondersteund door gegevens van medische en/of andere aard. Ter onderbouwing van dit standpunt en in reactie op de in hoger beroep aangevoerde gronden heeft het Uwv een reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 25 september 2012 overgelegd.


4.1.

De Raad komt tot de volgende overwegingen.


4.2.

Dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken in de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.


4.3.

De in hoger beroep overgelegde medische gegevens bevatten geen nieuwe medische informatie waaruit blijkt dat appellante op de datum in geding, te weten 27 juni 2011, meer beperkt was dan waarvan de bezwaarverzekeringsarts in de door hem opgemaakte FML van

2 november 2011 is uitgegaan. Dat door het Noagg op 25 januari 2012 de diagnose Posttraumatische stressstoornis is gesteld en dat dit afwijkt van de door de bezwaarverzekeringsarts gehanteerde diagnose, is geen aanleiding om aan te nemen dat daardoor ook uitgegaan is van onjuiste beperkingen, nu de beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts zijn vastgesteld op basis van gelijke psychische klachten zoals verwoord in het rapport van Noagg.


4.4.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden. Hieruit volgt dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade, bestaande uit de wettelijke rente moet worden afgewezen.


5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.







BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) H.J. Dekker



IvR