Centrale Raad van Beroep, 10-06-2014 / 13-725 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:1990

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om kwijtschelding van schuld. Fraudevorderingen. Niet voldaan aan voorwaarden van het Beleid. Geen bijzondere omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-10
Publicatiedatum
2014-06-19
Zaaknummer
13-725 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/725 WWB

Datum uitspraak: 10 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 december 2012, 12/2205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.W. Mettendaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18 maart 2014, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.2. Appellant ontvangt bijstand in gevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.3. Op 10 januari 2012 heeft appellant het college verzocht om kwijtschelding van zijn schuld aan de gemeente.


1.4. Bij besluit van 20 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2012 (bestreden besluit), heeft het college dat verzoek afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 6.3 van de Beleidsregels Inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (beleidsregels) gestelde voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Kwijtschelding is niet mogelijk indien bij herhaling een vordering is ontstaan wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Het openstaande bedrag bedroeg op 10 januari 2012 € 15.822,26 en heeft betrekking op de besluiten van 15 december 1997 en 29 september 2003, waarbij bedragen werden teruggevorderd van onderscheidenlijk € 28.139,36 en van € 914,88 omdat appellant teveel bijstand had ontvangen als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en, evenals in beroep, aangevoerd dat hij vanwege psychische problemen als gevolg van het overlijden van zijn vrouw geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 september 2003, dat hij de vordering nooit zal kunnen terugbetalen en dat het heel moeilijk is om van een gekorte uitkering rond te komen.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Ingevolge artikel 58 van de Wet werk en bijstand (WWB) kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van (verdere) invordering moet hierin besloten worden geacht.


4.3.

Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college beleidsregels vastgesteld en gepubliceerd. Ingevolge artikel 6:3, eerste lid, van deze beleidsregels stelt het college zich onder meer tot doel om de teruggevorderde bijstand optimaal in te vorderen, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet. In het tweede lid van dat artikel zijn situaties beschreven waarin het college kan besluiten van gehele of gedeeltelijke invordering af te zien. In artikel 6:3, vierde lid, van de beleidsregels is bepaald dat het college niet van (verdere) invordering afziet indien de terugvordering meer dan één keer het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Het is aan appellant om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Appellant is hierin niet geslaagd.


4.4.

Het verzoek om kwijtschelding heeft betrekking op twee in rechte vaststaande fraudevorderingen, waarbij appellant in strijd met de inlichtingenverplichting aan het college geen mededeling heeft gedaan van inkomsten uit arbeid en van een andere uitkering, waardoor teveel aan bijstand is verstrekt. Hieruit volgt dat sprake is van het meer dan één keer schenden van de inlichtingenverplichting (recidive), zodat artikel 6.3, vierde lid, van de beleidsregels aan kwijtschelding in de weg staat.


4.5.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd over zijn psychische klachten en zijn financiële situatie leveren geen bijzondere omstandigheden op om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van de beleidsregels af te wijken. Daargelaten nog dat appellant zijn psychische problemen niet heeft onderbouwd, had hij zijn stelling dat hij vanwege psychische klachten geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van

29 september 2003, op enig moment moeten aanvoeren in een procedure tegen dat besluit. Wat appellant heeft gesteld over zijn financiële situatie levert evenmin bijzondere omstandigheden op. Hierbij is van belang dat appellant de bescherming heeft of kan inroepen van de regels inzake de beslagvrije voet en dat hij dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.

4.6. Voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel onvoldoende is gemotiveerd, bestaat geen grond.


4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van

C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

10 juni 2014.




(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) C.E.M. van Paddenburgh





IJ