Centrale Raad van Beroep, 04-06-2014 / 12-6717 WIA


ECLI:NL:CRVB:2014:2010

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering WIA- uitkering. Het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek van appellant onvoldoende steun biedt voor de conclusie dat betrokkene ten tijde van het onderzoek van de verzekeringsarts in 2007 een ziekte heeft voorgewend, wordt gevolgd. Het onderzoek van Van Laarhoven, waarop appellant zijn standpunt in hoofdzaak heeft gebaseerd, biedt voor deze conclusie onvoldoende aanknopingspunten. Niet alleen is dit rapport erg beknopt, maar de rechtbank heeft terecht overwogen dat dit onderzoek is verricht vanuit de veronderstelling dat betrokkene ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2007 onder behandeling was van een van de psychiaters die in het onderzoek “Marque” als verdachten werden aangemerkt. Vast is komen te staan dat deze veronderstelling in het geval van betrokkene niet op de feiten berust. De rechtbank heeft ten slotte terecht geoordeeld dat Van Laarhoven en, in navolging van hem, de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van Timmermans onvoldoende gemotiveerd ter zijde hebben geschoven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 17 november 2011 door toedoen van betrokkene op een onjuiste medische grondslag zou berusten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-04
Publicatiedatum
2014-06-23
Zaaknummer
12-6717 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6717 WIA

Datum uitspraak: 4 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

12 november 2012, gecorrigeerd bij uitspraak van18 december 2002, 12/1334

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Van den Berg.

OVERWEGINGEN


1.1. Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als [naam functie] op een werkervaringsplaats bij ‘Sallcon werktalent’. Ze heeft zich op 6 februari 2006 ziek gemeld met depressieve klachten. Bij medisch onderzoek in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv betrokkene op 15 november 2007 onderzocht. Mede op grond van informatie van de behandelend psychiater heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat het ten gevolge van de psychische problematiek van betrokkene niet mogelijk was contact met haar te krijgen en dat zij gestimuleerd en begeleid moest worden op de drie niveaus van persoonlijk en sociaal functioneren. Op grond van deze bevindingen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat betrokkene weliswaar benutbare mogelijkheden heeft, maar dat ernstige beperkingen aangenomen moeten worden in de rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 november 2007. Nadat arbeidskundig onderzoek had uitgewezen dat het op basis van de FML niet mogelijk was voor betrokkene geschikte functies te selecteren, heeft het Uwv bij besluit van 11 december 2007 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 4 februari 2008 recht heeft op een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij haar mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 80 tot 100%.


1.2. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek “Marque”, dat betrekking heeft op het afgeven van valse medische verklaringen, heeft het Uwv in 2011 heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van betrokkene. Betrokkene is op 19 september 2011 door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht. Om de psychische beperkingen van betrokkene te kunnen vaststellen, heeft de verzekeringsarts inlichtingen ingewonnen bij de huisarts en behandelend psychiater van betrokkene en psychiater J.H.M. van Laarhoven verzocht een psychiatrische expertise te verrichten. De behandelend psychiater heeft volstaan met het overleggen van een uit het onderzoek van 2007 al bekende brief. Van Laarhoven heeft op

21 oktober 2011 aan de verzekeringsarts gerapporteerd.


1.3. Naar aanleiding van zijn onderzoek heeft Van Laarhoven te kennen gegeven dat betrokkene is gedecompenseerd nadat ze in 2005 haar voorlaatste werk verloor en ze in haar volgende baan niet kon aarden, deels op lichamelijke gronden. Het door betrokkene tijdens het onderzoek vertoonde gedrag geeft geen aanleiding tot het aannemen van een psychotische stoornis, een stemmingsstoornis of een angststoornis, maar kan alleen worden aangemerkt als simulatie. Hoewel er mogelijk eerder sprake was van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, ziet Van Laarhoven geen indicatie voor psychiatrische behandeling en evenmin aanwijzingen voor psychiatrische beperkingen waarmee ten aanzien van loonvormende arbeid rekening zou moeten worden gehouden. Van Laarhoven acht een forse discrepantie aanwezig tussen zijn inschatting van de psychische toestand van betrokkene en het beeld dat betrokkene hiervan in 2007 aan de verzekeringsarts presenteerde. Tot slot acht hij betrokkene niet om medische redenen buiten staat om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld te geven van haar klachten en belemmeringen.


1.4. In zijn rapport van 7 november 2011 heeft de verzekeringsarts het standpunt van

Van Laarhoven gevolgd en geconcludeerd dat betrokkene bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2007 een onjuist en onvolledig beeld heeft gegeven van haar klachten en belemmeringen, terwijl dit niet het gevolg was van omstandigheden die om medische redenen niet aan haar zouden kunnen worden toegerekend.


1.5. Naar aanleiding van het rapport van de verzekeringsarts heeft appellant bij besluit van

17 november 2011 zijn besluit van 11 december 2007 ingetrokken. Daartoe heeft appellant overwogen dat hij de belastbaarheid van betrokkene in 2007 op verkeerde gronden heeft ingeschat. Appellant acht dit mede het gevolg van het door betrokkene onjuist, dan wel onvolledig weergeven van haar gezondheidstoestand. Appellant heeft vastgesteld dat betrokkene vanaf 4 februari 2008 geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat is gebleken dat zij niet ziek en dus ook niet arbeidsongeschikt is.


1.6. Bij besluit van 8 december 2011 heeft appellant de over de periode van 8 februari 2008 tot en met 31 oktober 2011 onverschuldigd betaalde WIA-uitkering tot een bedrag van

€ 53.890,01 van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van 16 februari 2011 heeft appellant de in de jaren 2009 tot en met 2011 betaalde bedragen ingevolge de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) tot een bedrag van € 1.036,- teruggevorderd.


1.7. Betrokkene heeft tegen de in 1.5 en 1.6 genoemde besluiten bezwaar gemaakt en in het kader daarvan een rapport van psychiater L. Timmermans van 6 februari 2012 overgelegd. Op basis van de in het dossier aanwezige gegevens en een op 17 januari 2012 verricht onderzoek bij betrokkene heeft Timmermans gerapporteerd dat betrokkene sinds 2002 stemmings- en angstklachten heeft, die tot 2006 zijn toegenomen en sindsdien stationair zijn. Betrokkene durft niet alleen over straat en heeft paniekaanvallen. Mede op grond van een bij de twee dochters van betrokkene afgenomen heteroanamnese concludeert Timmerman tot de diagnose angst- en stemmingsstoornissen nao, alsmede depressie, recidiverend, chronisch en somatoforme klachten. Naar zijn oordeel is er geen sprake van simulatie.


1.8. Desgevraagd door de bezwaarverzekeringsarts heeft Van Laarhoven bij brief van

4 mei 2012 te kennen gegeven zijn conclusies te handhaven. Nadat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 mei 2012 te kennen had gegeven de expertise van Van Laarhoven en diens nadere reactie van 4 mei 2012 te volgen, heeft appellant bij besluit van 22 mei 2012 (bestreden besluit) de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.


2.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, de primaire besluiten herroepen, appellant veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht dient te voldoen. Volgens de rechtbank kan in het geval van betrokkene geen uitzondering worden aangenomen op het uitgangspunt dat intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in strijd moet worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank heeft daartoe vooropgesteld dat in de vraagstelling van de verzekeringsarts van

19 september 2011 aan Van Laarhoven ten onrechte de indruk is gewekt dat betrokkene onder behandeling zou hebben gestaan van een van de in het onderzoek “Marque” genoemde psychiaters. Gelet op het gestelde in het rapport van Van Laarhoven dat de bevindingen van zijn psychiatrisch onderzoek niet overeenkomen met de diagnostische bevindingen van een met name genoemde verdachte psychiater, voor zover de diagnose “depressieve stoornis” van deze psychiater afkomstig zou zijn, heeft de rechtbank overwogen niet uit te kunnen sluiten dat het onderzoek van Van Laarhoven gekleurd is. Voorts is het de rechtbank niet duidelijk waarom appellant geen waarde heeft willen hechten aan het rapport van Timmermans. Tot slot acht de rechtbank van belang dat uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2007 niet blijkt dat er bij de toenmalige verzekeringsarts ook maar enige twijfel is gerezen over de wijze waarop betrokkene zich presenteerde en dat ook de behandelend psychiater melding maakte van een recidiverende depressie.


3.

In hoger beroep heeft appellant verduidelijkt dat de aanleiding om betrokkene in het onderzoek “Marque” te betrekken, was gelegen in de omstandigheid dat haar echtgenoot onder behandeling van een van de verdachte psychiaters was. Dit doet volgens appellant echter geen afbreuk aan het rapport van Van Laarhoven, omdat Van Laarhoven, gelet op de door hem gebruikte bewoordingen, een behandelrelatie tussen betrokkene en de genoemde verdachte psychiater niet beslissend heeft geacht voor zijn conclusie. Gelet op de bevindingen van de verzekeringsarts en de door Van Laarhoven gesignaleerde inconsistenties in het rapport van Timmermans kan aan dit laatste rapport niet het belang worden toegekend dat de rechtbank daaraan heeft gehecht. Appellant houdt staande dat op de bevindingen van

Van Laarhoven en van de verzekeringsarts in het kader van het heronderzoek moet worden geconcludeerd dat er achteraf geen verklaring is te vinden voor de klachten en gedragingen van betrokkene in 2007. Er staat voldoende vast dat simulatie aan de orde was, zodat intrekking van de uitkering van betrokkene niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is, voor zover hier van belang, bepaald dat het Uwv beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt indien als gevolg van het niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op uitkering op grond van deze wet ten onrechte is vastgesteld. In artikel 27, eerste lid, van de Wet Wia is, voor zover hier van belang, bepaald dat de verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, aan het Uwv dient te verschaffen.


4.2.

Zoals de rechtbank met betrekking tot de toepassing van deze wettelijke bepalingen terecht heeft overwogen, moet een intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht, zoals in deze zaak aan de orde is, in het algemeen in strijd worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter uitzonderingsgevallen waarin van strijd met dat beginsel geen sprake is. Hierbij valt onder meer te denken aan gevallen waarin het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl het bestuursorgaan een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien het destijds de juiste feiten had gekend. Uit de rechtspraak van de Raad blijkt dat hiervan onder meer sprake is als de betrokkene een ziekte voorwendt (simuleert) (zie onder meer de uitspraak van de Raad van

11 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU6128).


4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek van appellant onvoldoende steun biedt voor de conclusie dat betrokkene ten tijde van het onderzoek van de verzekeringsarts in 2007 een ziekte heeft voorgewend, wordt gevolgd. Het onderzoek van Van Laarhoven, waarop appellant zijn standpunt in hoofdzaak heeft gebaseerd, biedt voor deze conclusie onvoldoende aanknopingspunten. Niet alleen is dit rapport erg beknopt, maar de rechtbank heeft terecht overwogen dat dit onderzoek is verricht vanuit de veronderstelling dat betrokkene ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2007 onder behandeling was van een van de psychiaters die in het onderzoek “Marque” als verdachten werden aangemerkt. Vast is komen te staan dat deze veronderstelling in het geval van betrokkene niet op de feiten berust. De rechtbank heeft ten slotte terecht geoordeeld dat Van Laarhoven en, in navolging van hem, de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van Timmermans onvoldoende gemotiveerd ter zijde hebben geschoven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van

17 november 2011 door toedoen van betrokkene op een onjuiste medische grondslag zou berusten.


4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen slaag het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.


5.

Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-;
  • - bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) I.J. Penning




JvC