Centrale Raad van Beroep, 04-06-2014 / 13-4312 ZW


ECLI:NL:CRVB:2014:2012

Inhoudsindicatie
beëindiging ZW-uitkering. Appellant wordt terecht geschikt geacht voor zijn maatgevende arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-04
Publicatiedatum
2014-06-23
Zaaknummer
13-4312 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4312 ZW

Datum uitspraak: 4 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

3 juli 2013, 12/341 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 2] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C.G. van Ingen, werkzaam bij ARAG, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Voor appellant is verschenen mr. Van Ingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is van 1 juni 2000 tot en met 30 april 2008 werkzaam geweest als [naam functie]

[naam functie] voor 36 uur per week bij de[naam werkgever]. Appellant heeft zich op

24 september 2010 vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld in verband met gehoor-, rug-, en nekklachten, hoofdpijn en psychische klachten, vermoeidheid. Met ingang van 24 september 2010 is appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant is op 20 april 2011 op het spreekuur van een arts van het Uwv geweest die hem met ingang van 21 april 2011 weer geschikt geacht heeft voor zijn maatgevende arbeid. Bij besluit van 20 april 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 21 april 2011 beëindigd.


1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bedrijfsarts J. Miedema, neergelegd in diens rapport van 14 juni 2011 - bij besluit van 15 juni 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich in grote lijnen kunnen verenigen met de (in de aangevallen uitspraak geciteerde) reactie neergelegd in het rapport van bedrijfsarts Miedema van 19 november 2012, uitgebracht naar aanleiding van het rapport van 8 november 2012 van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige revalidatiearts A. Coster bij de Cavari Clinics (Cavari). Revalidatiearts Coster heeft ten behoeve van zijn onderzoek psychiater D.M. Tulner en neuroloog H. Koster geconsulteerd. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat appellant niet geschikt te achten is voor de maatgevende arbeid. De ter zitting afgelegde verklaring van psychiater H.C. Klein biedt geen onderbouwing voor de stelling dat er sprake is van meer of andere beperkingen dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank moet worden toegegeven dat het rapport van de deskundige op een aantal punten niet volledig eenduidig is heeft de rechtbank de daaruit af te leiden conclusie dat appellant op de datum in geding ondanks beperkingen geschikt te achten is voor zijn maatgevende arbeid, houdbaar geacht. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat bij het onderzoek door de betrokken deskundigen niet gebleken is van meer of andere beperkingen dan waarmee door het Uwv rekening is gehouden. De gehoorproblemen zijn voor appellant nimmer reden geweest om zijn arbeid niet te verrichten. De rug- en beenklachten van appellant zijn onvoldoende te objectiveren, terwijl van psychiatrische beperkingen niet is gebleken.


3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij niet in staat is zijn functie van [naam functie] van 36 uur per week te verrichten. Hij acht het rapport van de deskundige van Cavari onzorgvuldig tot stand gekomen. Er zitten tegenstrijdigheden in en er ontbreken rapporten van de geraadpleegde radiologen. Appellant is van mening dat uit het rapport van Cavari niet is af te leiden dat hij geschikt te achten is voor zijn maatgevende werk. Hij had meer beperkingen dan door het Uwv aangenomen.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt, ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden verstaan de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In dit geval is dat het werk van [naam functie] voor 36 uur per week.


4.2.

Dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt de inhoud van het rapport van bedrijfsarts Miedema van 19 november 2012 onderschreven. Hoewel met de rechtbank moet worden toegegeven dat het deskundigenrapport op een aantal punten niet volledig eenduidig is moet de hieruit te trekken conclusie dat appellant geschikt te achten is voor zijn maatgevende arbeid houdbaar worden geacht. Uit het rapport van Cavari valt immers af te leiden dat er feitelijk bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen worden aangetoond, ook de psychiater constateert dat er geen psychiatrisch toestandsbeeld bestaat. Voorts moet worden vastgesteld dat appellant met zijn gehoorklachten zijn maatgevende werk altijd heeft verricht en dat van een verslechtering rond de datum in geding sinds juni 2006 niet is gebleken. Het is aannemelijk dat appellant in een rumoerige omgeving meer moeite heeft om een gesprek te volgen, maar uit onderzoek door de arbeidsdeskundige komt naar voren dat dit niet een overwegende belemmering was in het laatst verrichte werk. Bedrijfsarts Miedema heeft verder aangegeven dat er geen sprake is van een aandoening die op zichzelf beperkingen geeft op energetisch vlak. De opmerking van de revalidatiearts over vrij in te vullen uren bij aspecifieke rugklachten zijn in dit verband niet te plaatsen.


4.3.

Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van de radioloog en orthopedisch chirurg wordt het standpunt van bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer in het rapport van 2 september 2013 onderschreven. Hoewel er in 2011 misschien wel enige afwijkingen op radiologisch materiaal te zien waren, zoals de bedrijfsarts op 7 mei 2012 constateerde, waren dit geen afwijkingen van betekenis die ook de klachten van appellant kunnen verklaren. De stukken uit november 2013 beschrijven een afwijking HNP L5-S1 links die niet eerder is aangetoond en in verband waarmee appellant op 4 maart 2014 (alsnog) succesvol is geopereerd. Deze informatie heeft geen betrekking op de datum in geding van 21 april 2011.


5.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente dient te worden afgewezen.


6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) H.J. Dekker




TM