Centrale Raad van Beroep, 28-01-2014 / 12-3922 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:204

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten inkomsten uit schoonmaakwerk hebben genoten. De stelling van appellanten dat het ging om vriendendiensten is gezien de verklaringen van de getuigen over de betaling voor de werkzaamheden niet geloofwaardig. Schending inlichtingenverplichting door geen melding te maken van de werkzaamheden van appellante. Geen deugdelijke administratie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-01-28
Publicatiedatum
2014-01-30
Zaaknummer
12-3922 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3922 WWB, 12/3923 WWB

Datum uitspraak: 28 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 mei 2012, 10/2360 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.L. Plas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Plas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.B. Bruinsma.

OVERWEGINGEN


1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 2 oktober 2002 met twee korte onderbrekingen, in aanvulling op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante elke dag werkt, heeft het team handhaving van het college en vervolgens de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn waarnemingen en observaties verricht, hebben getuigen verklaringen afgelegd en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van de sociale recherche van 11 maart 2010.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

2 maart 2010 de bijstand met ingang van 5 april 2007 in te trekken en per 1 februari 2010 te beëindigen en de over de periode van 5 april 2007 tot en met 31 januari 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.279,14 van appellanten terug te vorderen. Dit besluit is gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2010 (bestreden besluit).


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De bevindingen van het onderzoek bieden in onderlinge samenhang bezien een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten vanaf 5 april 2007 inkomsten uit schoonmaakwerk hebben genoten. Uit een groot aantal waarnemingen in de periode juni 2009 tot begin oktober 2009 blijkt dat appellante vrijwel steeds ’s ochtends vroeg haar woning verliet. Meermalen is gezien dat appellante met een eigen sleutel de woning van getuige [naam getuige], op de [adres 1.], binnenging. Ook is waargenomen dat appellante aanbelde bij het adres [adres 2.], van getuige[getuige 2.], en huishoudelijk werk deed in de woning van getuige [getuige 3]. Alle vijf getuigen hebben verklaard dat hun schoonmaakster [M.] heette. Dit is de voornaam van appellante. Getuigen [getuige 4.] en [getuige 3] hebben daarbij de Egyptische afkomst van appellante genoemd. [naam getuige] en [getuige 3] hebben een indicatie gegeven van waar zij woont, die overeenkomt met het adres van appellante. Appellante heeft zelf verklaard dat zij vrienden heeft die zij af en toe gaat helpen. Zij heeft daarbij [C.] [naam getuige] genoemd. Ook heeft zij verklaard dat zij naar [H.] en [W.] ging en dat zij daar schoonmaakte dan wel hielp met het huishouden. De door appellante genoemde namen komen overeen met die van twee getuigen. Dit alles in aanmerking genomen, kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun grond dat uit de getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat appellante schoonmaakwerk verrichtte. Dat niet duidelijk is hoe de sociale recherche bij getuige [getuige 4.] is gekomen, vormt geen reden voor twijfel of zijn verklaring wel op appellante ziet. De stelling van appellanten dat het ging om vriendendiensten is gezien de verklaringen van de getuigen over de betaling voor de werkzaamheden niet geloofwaardig.


4.2.

Anders dan appellanten hebben betoogd, is er geen aanleiding de verklaringen van de getuigen [naam getuige] en [getuige 5.] buiten beschouwing te laten omdat deze zijn neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, gaat het om op ambtseed opgemaakte stukken van een opsporingsambtenaar omtrent de verklaringen die deze getuigen hebben afgelegd. Bovendien vinden de verklaringen steun in de overige onderzoeksbevindingen.


4.3.

Het standpunt van appellanten dat de ingangsdatum van de intrekking, 5 april 2007, onvoldoende is gemotiveerd aangezien deze alleen is gebaseerd op de verklaring van

[v.R.], wordt verworpen. [v.R.]heeft verklaard dat hij in september 2007 is verhuisd naar Indonesië en dat in het eerste deel van dat jaar iemand bij hem heeft gewerkt die [M.] heette. Zij zou al met al een maand of vijf bij hen hebben gewerkt. De verklaring vindt bovendien steun in de verklaring van [getuige 4.], waaruit eveneens kan worden opgemaakt dat appellante voor september 2007 bij [v.R.]werkte.


4.4.

Appellanten hebben hun inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de werkzaamheden van appellante. Aangezien appellanten zich steeds op het standpunt hebben gesteld dat appellante geen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht, ontbreekt een deugdelijke administratie. Ook op grond van de gedingstukken is niet voldoende inzicht te krijgen in het geheel van de door appellante verrichte activiteiten en de in verband daarmee ontvangen inkomsten. Uit de stukken blijkt niet op hoeveel adressen appellante werkte en om hoeveel uren het ging. Dit betekent dat, anders dan appellanten hebben aangevoerd, niet kan worden vastgesteld of in de periode van 5 april 2007 tot

1 februari 2010 nog recht op (aanvullende) bijstand bestond.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2014.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) P. Uijtdewillegen



HD