Centrale Raad van Beroep, 24-06-2014 / 13-1819 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:2150

Inhoudsindicatie
Opschorting en intrekking bijstand. Niet gereageerd op de oproep. Gevraagde gegevens niet overgelegd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de gegeven termijn om te reageren niet zodanig kort was dat het niet mogelijk was aan de oproep gehoor te geven of om uitstel te vragen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-24
Publicatiedatum
2014-07-07
Zaaknummer
13-1819 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1819 WWB

Datum uitspraak: 24 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 februari 2013, 12/4049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van Olffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Voor appellant is verschenen mr. Van Olffen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 20 juni 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Op 15 maart 2012 heeft een medewerker van het Werkplein van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) onder meer gemeld dat appellant vrijwilligerswerk doet bij een voetbalvereniging in [woonplaats] en dat hij in die plaats enkele dagen per week bij zijn ouders verblijft. Dit is voor het college aanleiding geweest een onderzoek in stellen naar de woonsituatie van appellant. In verband hiermee hebben handhavingsspecialisten van de DWI op woensdag 18 april 2012 getracht een huisbezoek af te leggen op het door appellant opgegeven woonadres, [adres] te [A.]. Appellant bleek op dat moment niet thuis. Toen is een brief in de brievenbus van appellant gedeponeerd, waarin hij werd opgeroepen om zich op donderdag 19 april 2012 te melden op het kantoor van de DWI. Hierbij is appellant voorts verzocht een geldig identiteitsbewijs en bankafschriften van alle bankrekeningen van de afgelopen drie maanden mee te nemen. Appellant heeft aan de oproep geen gehoor gegeven.


1.3.

Bij besluit van 26 april 2012 (lees: 19 april 2012) heeft het college de bijstand van appellant opgeschort met ingang van 19 april 2012 op de grond dat hij niet is verschenen op de afspraak op 19 april 2012. Hierbij heeft het college appellant opgeroepen om op maandag 23 april 2012 op het kantoor van de DWI te komen.


1.4.

Bij besluit van 26 april 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 19 april 2012 ingetrokken op de grond dat appellant ook aan de oproep om op 23 april 2012 op kantoor van de DWI te verschijnen geen gehoor heeft gegeven en ook niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd.


1.5.

Op 8 mei 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt. Hierbij heeft hij vermeld dat hij moeilijk per post bereikbaar is en dat hij van donderdag 19 april tot en met dinsdag 24 april 2012 bij zijn vriendin was zodat hij niet kon reageren.


1.6.

Bij besluit van 9 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 april 2012 ongegrond verklaard.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hiertoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn bezwaar uitsluitend gericht was tegen het intrekkingsbesluit van 26 april 2012. De rechtbank heeft zich ten onrechte dus niet uitgelaten over de gronden tegen het opschortingsbesluit van 19 april 2012. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de geboden hersteltermijn te kort was. Bovendien verbleef hij gedurende die termijn bij zijn vriendin, zodat hem van het verzuim geen verwijt kan worden gemaakt. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op 18 april 2012 geen sprake is geweest van een huisbezoek en dat daarom het al dan niet aanwezig zijn van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek niet aan de orde is.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant, die op dat moment nog niet werd bijgestaan door een advocaat, heeft de tweede pagina van het intrekkingsbesluit van 26 april 2012 gebruikt om zijn bezwaren op schrift te stellen. Na het bestreden besluit, waarbij het college ervan is uitgegaan dat appellant uitsluitend bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit en dat bezwaar ongegrond heeft verklaard, heeft appellant zich laten bijstaan door een advocaat. Zijn toenmalige gemachtigde heeft in onderdeel 3 van het tegen het bestreden besluit ingediende beroepschrift opgemerkt dat het bezwaarschrift van 8 mei 2012 is gericht tegen het besluit van 26 april 2012 en dat met dat besluit het recht op bijstand na opschorting werd ingetrokken met ingang van 19 april 2012. Appellant heeft in beroep niet aangevoerd dat het college ten onrechte niet heeft beslist over zijn bezwaar tegen het opschortingsbesluit. De rechtbank is er dus terecht van uitgegaan dat het beroep zich heeft beperkt tot de intrekking en niet mede betrekking had op het opschortingsbesluit. Hieruit volgt dat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft gereageerd op de oproep om op 23 april 2012 te verschijnen. Hij heeft evenmin de gevraagde gegevens overgelegd. Het gaat hier om gegevens die van belang zijn voor de voortzetting van de verlening van de bijstand. Dat appellant, zoals hij stelt, gegevens als een legitimatie en bankafschriften al had overgelegd bij de aanvraag die heeft geleid tot de toekenning van de bijstand per 20 juni 2011 maakt dat niet anders, alleen al gelet op het tijdsverloop.


4.4.

Het betoog van appellant dat de hem gegeven termijn om op de oproep van het college te reageren onredelijk kort is, slaagt niet. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de gegeven termijn niet zodanig kort was dat het niet mogelijk was aan de oproep gehoor te geven of om uitstel te vragen. De Raad kan zich verder geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank hieromtrent in onderdeel 4.3 van de aangevallen uitspraak en neemt deze over.


4.5.

De handhavingsspecialisten van de DWI zijn op 18 april 2012 wel naar de woning van appellant gegaan, maar tot een huisbezoek is het niet gekomen. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de vraag of er een gegronde reden bestond voor het afleggen van een huisbezoek hier niet aan de orde is. Het beroep dat appellant heeft gedaan op de uitspraak van 15 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6991), treft geen doel, reeds omdat in het in die uitspraak beoordeelde geval (wel) sprake was van het afleggen van een bezoek aan de woning van de betrokkene.


4.6.

Het college was bevoegd om tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 19 april 2012 over te gaan. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) S.K. Dekker




HD