Centrale Raad van Beroep, 20-06-2014 / 09-5274 WIA


ECLI:NL:CRVB:2014:2159

Inhoudsindicatie
Uitspraak na tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:1810). Met nadere besluit IV (verlaging oorspronkelijk vastgestelde bruto inkomen over februari 2008) niet tegemoet gekomen aan beroep van appellante (recht op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering 80-100%) en daarom meegenomen in hoger beroep. Loon gerelateerde WGA-uitkering (LGU) terecht berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80%. Geen recht op IVA-uitkering. Verzoek om schadevergoeding (wettelijke rente) toegewezen. Heropening onderzoek in verband met vaststelling schade wegens het vermoeden van overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-20
Publicatiedatum
2014-06-26
Zaaknummer
09-5274 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/5274 WIA, 11/1991 WIA, 11/4601 WIA, 13/5934 WIA

Datum uitspraak: 20 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 september 2009, 08/4765 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 20 september 2013 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2013:1810 (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het Uwv nader onderzoek verricht en op 28 oktober 2013 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop bij brief van 31 oktober 2013 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het Uwv geweigerd om appellante per 11 februari 2008 - in aansluiting op de wachttijd - een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op de grond dat appellante per 11 februari 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is mede gebaseerd op de vaststelling dat appellante per april 2005 al gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, zodat de werkzaamheden die appellante heeft verricht als medewerkster detachering voor 36 uur per week niet in volle omvang maatgevend kunnen worden geacht. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 maart 2008 heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2008 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak afwijzend beslist op appellantes verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden renteschade.


3.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat de medische beoordeling door het Uwv onzorgvuldig is geweest, dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv worden onderschat en dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante te boven gaat.


3.2.

Na vragen van de Raad heeft het Uwv te kennen gegeven dat, gelet op arbeidskundig onderzoek van 15 februari 2011, bestreden besluit I niet wordt gehandhaafd en de functie medewerkster detachering voor 36 uur per week alsnog in volle omvang wordt aangemerkt als maatmanfunctie. In verband daarmee is het besluit van 25 maart 2008 bij besluit van

31 maart 2011 (bestreden besluit II) herroepen, in die zin dat is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 11 februari 2008, de datum in geding, 45,12% bedraagt en dat appellante met ingang van die datum recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De resterende verdiencapaciteit van appellante is bij bestreden besluit II gesteld op € 817,41 per maand. Over februari 2008 is bij bestreden besluit II een LGU aan appellante toegekend van € 436,36 bruto inclusief vakantiegeld. Daarbij is ervan uitgegaan dat appellante in februari 2008 naast de haar toegekende LGU een bruto inkomen had van € 747,77. Bij bestreden besluit II is besloten om de kosten die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar bezwaar tot een bedrag van € 644,- te vergoeden.

3.3.Vervolgens heeft het Uwv meegedeeld dat gelet op arbeidskundig onderzoek van

14 juli 2011 bestreden besluit II niet volledig wordt gehandhaafd. Bij besluit van

3 augustus 2011 (bestreden besluit III) is de resterende verdiencapaciteit van appellante nader vastgesteld op € 789,31 per maand. Verder is over februari 2008 een LGU aan appellante toegekend van € 601,79 bruto inclusief vakantiegeld. Daarbij is ervan uitgegaan dat appellante in februari 2008 naast de haar toegekende LGU een bruto inkomen had van

€ 527,49.


4.

In de tussenuitspraak is het Uwv opgedragen om bestreden besluit III te corrigeren, voor zover bij dit besluit is uitgegaan van een te hoog inkomen van appellante over februari 2008.


5.1.

Bij besluit van 28 oktober 2013 (bestreden besluit IV) heeft het Uwv bestreden besluit III gehandhaafd, behoudens wat betreft de berekening van het inkomen dat appellante over februari 2008 heeft genoten naast de haar toegekende LGU. Dit inkomen is nader vastgesteld op € 465,73. In verband daarmee is over februari 2008 een LGU aan appellante toegekend van € 647,89 bruto inclusief vakantiegeld. Met bestreden besluit IV is niet geheel tegemoetgekomen aan het beroep van appellante. Daarom is ook dit besluit met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in de procedure in hoger beroep.


5.2.

Appellante heeft vervolgens zonder nadere onderbouwing te kennen gegeven dat zij nog steeds vindt dat zij per de datum in geding recht heeft op een IVA-uitkering of een

WGA-uitkering die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot en met 100%. Met betrekking tot bestreden besluit IV heeft appellante geen specifieke gronden aangevoerd.


6.

De Raad oordeelt als volgt.


6.1.

Zowel de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond is verklaard, als bestreden besluit I moeten worden vernietigd. In dit verband wordt verwezen naar punt 4.1 van de tussenuitspraak.


6.2.

Bestreden besluit II moet worden vernietigd, behoudens voor zover bij bestreden besluit II is besloten om de kosten te vergoeden die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar bezwaar. In dit verband wordt verwezen naar punt 4.2 en punt 4.3 van de tussenuitspraak.


6.3.

Bestreden besluit III moet worden vernietigd voor zover dit besluit bij bestreden besluit IV niet is gehandhaafd. Voor het overige moet het beroep tegen bestreden besluit III ongegrond worden verklaard. In dit verband wordt verwezen naar punt 4.4.1 tot en met punt 4.5.3 van de tussenuitspraak.


6.4.

Het beroep tegen bestreden besluit IV moet ongegrond worden verklaard. In dit verband wordt verwezen naar punt 6.3 van deze uitspraak.


7.

De Raad wijst het verzoek van appellante toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade in de vorm van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


8.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op in totaal € 2.191,50, waarvan € 974,- voor in beroep en € 1.217,50 voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.


9.1.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.


9.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 is verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur van het geval te rechtvaardigen. Daarvan is in het voorliggende geval niet gebleken.


9.3.

Vanaf de ontvangst van het beroepschrift van appellante door de rechtbank op

20 oktober 2008 tot de datum van deze uitspraak heeft de behandeling van het beroep en het hoger beroep meer dan vijfenhalf jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. Hieraan wordt de conclusie verbonden dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist op het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - vernietigt bestreden besluit I;
  • - vernietigt bestreden besluit II, behoudens voor zover bij bestreden besluit II is besloten om de kosten te vergoeden die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar bezwaar;
  • - vernietigt bestreden besluit III voor zover dit besluit niet is gehandhaafd bij bestreden besluit IV;
  • - verklaart het beroep tegen bestreden besluit III voor het overige ongegrond;
  • - verklaart het beroep tegen bestreden besluit IV ongegrond;
  • - veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 7 van deze uitspraak vermeld;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.191,50;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt;
  • - bepaalt dat het onderzoek in de zaken 09/5274, 11/1991, 11/4601 en 13/5934 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellante om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.


Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en E.E.V. Lenos en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014.




(getekend) H.J. Simon




(getekend) G.J. van Gendt




NW