Centrale Raad van Beroep, 24-06-2014 / 12-6304 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:2257

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Appellante had de beschikking over een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-24
Publicatiedatum
2014-07-07
Zaaknummer
12-6304 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6304 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

17 oktober 2012, 12/925 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G. Tuenter, advocaat en kantoorgenoot van mr. Cornelisse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Pilgram.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 15 december 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Uit een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand is naar voren gekomen dat appellante op 3 november 2011 een auto heeft aangeschaft, waarvan zij het aankoopbedrag van € 18.300,- op 4 november 2011 contant heeft voldaan. Appellante heeft hierover verklaard dat zij deze auto heeft betaald van geld dat zij in de zomer van 2011 heeft geleend van haar in Iran wonende zwager. Appellante heeft het college over de aanschaf van de auto noch over het van haar zwager ontvangen geldbedrag geïnformeerd.


1.3.

Het college heeft in de onder 1.2 vermelde bevindingen aanleiding gezien om bij besluit van 28 december 2011 de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2011 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat vanaf die datum haar vermogen het vrij te laten vermogen van € 5.555,- (norm alleenstaande) overschrijdt. Bij besluit van 28 maart 2012 heeft het college de voor appellante geldende vermogensgrens nader bepaald op € 11.110,- (norm alleenstaande ouder). Tevens heeft het college de over de periode van 1 september 2011 tot en met 30 november 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 3.976,05.


1.4.

Bij besluit van 7 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 28 december 2011 en 28 maart 2012 ongegrond verklaard.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

In hoger beroep heeft appellante de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald. Zij stelt dat zij later dan op 1 september 2011 de beschikking heeft gehad over het door haar geleende geldbedrag van € 20.000,-. Voorts blijkt uit de door haar in bezwaar en beroep overgelegde bewijsstukken dat sprake is van een geldlening met een aflossingsverplichting. Tot slot heeft het college inconsistent gehandeld door bij de latere toekenning van bijstand aan appellante dit bedrag wel als geldlening aan te merken.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de vermogensvaststelling in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving worden schulden uitsluitend in aanmerking genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens is vast komen te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke concrete terugbetalingsverplichting is verbonden.


4.2.

Met de rechtbank en het college wordt geoordeeld dat appellante niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een schuld zoals onder 4.1 weergegeven. Appellante heeft tegenover twee medewerkers van de Dienst Samenleving van de gemeente Apeldoorn op 22 december 2011 verklaard dat zij in de zomer van 2011 - de exacte datum wist appellante niet meer - een bedrag van € 20.000,- van haar zwager uit Iran heeft ontvangen met als doel met hem een bedrijf in Nederland te starten. Toen dit niet doorging, heeft zij van dit bedrag de auto gefinancierd. Zij heeft voorts verklaard dat zij geen terugbetalingsregeling met haar zwager heeft. Zodra zij geld heeft, moet het geleende bedrag terugbetaald worden. Appellante heeft haar verklaring, na voorlezing, ondertekend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaring in essentie geen juiste weergave bevat van wat zij tegenover de hiervoor genoemde medewerkers heeft verklaard. Geen aanleiding bestaat dan ook haar niet aan deze verklaring te houden. De door appellante in bezwaar en beroep overgelegde ongedateerde brieven van haar zwager, waaruit volgens appellante opgemaakt zou moeten worden dat haar pas op 31 oktober 2011 geld is geleend en dat aan deze lening een terugbetalingsverplichting is verbonden, maakt het voorgaande niet anders, alleen al nu de inhoud van deze brieven haaks staat op wat zij op

22 december 2011 heeft verklaard. Door uit te gaan van 1 september 2011 heeft het college appellante niet tekort gedaan.


4.3.

Het voorgaande betekent het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante vanaf 1 september 2011 de beschikking had over een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens.


4.4.

Appellante wordt niet gevolgd in wat zij heeft aangevoerd over de vermogensvaststelling naar aanleiding van haar nieuwe bijstandsaanvraag. Uit de gedingstukken en het ter zitting besprokene blijkt dat het college (ook) bij deze vaststelling geen rekening heeft gehouden met de schuld van appellante aan haar zwager.


4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) E. Heemsbergen





HD