Centrale Raad van Beroep, 25-06-2014 / 13-2295 WIA


ECLI:NL:CRVB:2014:2274

Inhoudsindicatie
Weigering bekorting periode loonsanctie. Geen sprake van een adequaat re-integratie-traject. Beschikking waarbij het verzoek om bekorting is beslist, is acht weken en drie dagen te laat afgegeven. Gelet op het veertiende lid van artikel 25 van de Wet WIA dient de tot 11 oktober 2011 opgelegde loonsanctie acht weken en drie dagen eerder, derhalve op 11 augustus 2011, te eindigen. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit dient te worden gegrond verklaard. De Raad ziet voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de loonsanctie eindigt op 11 augustus 2011.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-25
Publicatiedatum
2014-07-08
Zaaknummer
13-2295 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2295 WIA

Datum uitspraak: 25 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 maart 2013, 12/958 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Belanghebbende] te [woonplaats] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C. Vergoosen, werkzaam bij accountantskantoor Koenen en Co, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2014.

Voor appellante is, zoals tevoren aangekondigd, niemand verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

Belanghebbende is niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 2 september 2010 (loonsanctiebesluit) heeft het Uwv het tijdvak waarin belanghebbende jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 11 oktober 2011. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, van die wet. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een arbeidsdeskundige van 24 augustus 2010 ten grondslag gelegd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 21 december 2010. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 16 december 2010 ten grondslag gelegd. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 21 december 2010.


1.2. Bij brief van 29 juni 2011 heeft appellante aan het Uwv verzocht om de loonsanctie te bekorten. Bij besluit van 19 september 2011 heeft het Uwv beslist dat de opgelegde loonsanctie niet wordt bekort, op de grond dat de tekortkoming in de

re-integratie-inspanningen door appellante niet is hersteld omdat er geen sprake was van een afgerond re-integratie-traject met een afrondende rapportage. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts van 17 augustus 2011 en een (ongedateerd) rapport van een arbeidsdeskundige ten grondslag gelegd.


1.3. Bij besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 september 2011, onder verwijzing naar een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 13 april 2012, ongegrond verklaard. Daarbij is het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van een adequaat re-integratie-traject.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan er niet gesproken worden van een adequaat re-integratie-traject. Appellante heeft weliswaar geprobeerd belanghebbende in passende arbeid te laten hervatten, laatstelijk via Maasgroep bij het Raayland College, maar dit werk was slechts van tijdelijke duur en uitsluitend gericht op het opdoen van werkervaring. Van werkhervatting met een structureel karakter binnen dat bedrijf is dan ook geen sprake geweest. De rechtbank heeft voorts de stelling van appellante dat het naar het oordeel van de bedrijfsarts en het re-integratiebedrijf voor belanghebbende niet mogelijk is om arbeid op de reguliere arbeidsmarkt te verrichten, mede gelet op hetgeen het Uwv daarover gesteld heeft, onvoldoende onderbouwd geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante haar tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen niet voldoende hersteld en kan zij zich daarbij niet verschuilen achter haar arbodienst en het ingeschakelde re-integratiebedrijf. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat het feit dat het Uwv in het bestreden besluit een andere afwijzingsgrond hanteert dan in het primaire besluit past binnen het karakter van de bezwaarprocedure.


3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij met het tweede spoor traject bij Abip een adequaat re-integratie-traject heeft afgerond. Dat Abip uiteindelijk op 1 maart 2011 kenbaar heeft gemaakt dat zij, om haar moverende redenen, geen arbeidsovereenkomst wenst aan te bieden aan belanghebbende, kan appellante niet verweten worden. Verder is appellante van mening dat met de werkervaringsplaats bij het Raayland College sprake is geweest van een adequaat re-integratietraject omdat niet kan worden ingezien waarom scholing, hetgeen op een indirecte wijze bijdraagt aan werkhervatting/plaatsing, wel volstaat, maar een werkervaringsplek, die ook op een indirecte wijze bijdraagt aan werkhervatting/plaatsing, niet volstaat. Appellante merkt daarbij op dat een werkervaringsplek ook het meest haalbare was, gelet op het oordeel van de bedrijfsarts op 19 april 2011 dat belanghebbende slechts geschikt is voor rustig werk, zonder stress, zonder tijdsdruk en zonder verantwoordelijkheid en het advies te zoeken naar rustig werk zonder stress, zonder tempodruk en geen deadlines. Voorts heeft de Maasgroep in de voortgangsrapportage van 30 mei 2011 geconcludeerd dat het verrichten van arbeid op de reguliere vrije arbeidsmarkt op dit moment niet mogelijk is vanwege de prestatiedruk, de verwachtingen vanuit werkgevers en het persoonlijk welzijn van belanghebbende.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd de periode van de loonsanctie te bekorten. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante per 1 juli 2011 de tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen heeft hersteld.


4.2.

Voor het toetsingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8612, waarin is geoordeeld dat het Uwv de in de rechtspraak uitgezette lijnen met betrekking tot de voorwaarden tot bekorting van de loonsanctie op juiste wijze heeft toegepast. Voorts wordt verwezen naar de uitspraken van 25 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2010:BQ6153 en 17 augustus 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BR5210. Voor gevallen als het onderhavige komt die rechtspraak er op neer dat voor een bekorting van een loonsanctie is vereist dat een adequaat traject is afgerond, waarbij geldt dat niet is vereist dat een betrokken werknemer geheel of gedeeltelijk moet hebben hervat; de inspanningen moeten voldoende zijn geweest en gericht zijn geweest op het bereiken van een bevredigend resultaat. Als de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht, maar er is geen bevredigend resultaat bereikt door factoren buiten zijn invloedssfeer, dan zal in het algemeen een eerder opgelegde loonsanctie worden verkort.


4.3.

Gegeven dit toetsingskader bieden de stukken voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat appellante de tekortkoming in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld. Appellante heeft na het loonsanctiebesluit van 2 september 2010, op 14 september 2010 aan Maasgroep opdracht gegeven tot het uitvoeren van een re-integratie-traject. In dat kader heeft belanghebbende van 16 oktober 2010 tot 2 maart 2011 op basis van een werkervaringsovereenkomst tot maximaal 12 uur per week gewerkt bij Abip, hetgeen niet heeft geresulteerd in een arbeidsovereenkomst. Vervolgens heeft belanghebbende via de Maasgroep per 18 april 2011 een overstap gemaakt naar het Raayland College op een werkervaringsplek als conciërge gedurende drie maanden tot einde van het traject op

18 juli 2011. Per 1 juli 2011 was derhalve nog geen sprake van een afgerond

re-integratie-traject.


4.4.

Er kan ook overigens niet gesproken worden van een adequaat re-integratie-traject. In dit verband wordt het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige neergelegd in het rapport van 13 april 2012 onderschreven. Reeds in juni 2010 heeft de bedrijfsarts het aantal uren dat belanghebbende in passende arbeid kan werken bepaald op 20 uur. Van 18 april 2011 tot

18 juli 2011 heeft belanghebbende echter wederom in een werkervaringsplaats gewerkt bij het Raayland College te Venray in een opbouw van negen uur naar 20 uur. De insteek voor deze werkervaringsplaats was net als bij Abip het opdoen van recente werkervaring. Er is daarbij niet gestreefd naar het inzetten naar structurele werkhervatting en het re-integratie-traject is blijven steken op werkervaringsplaatsen. Daarbij komt dat uit de stukken valt af te leiden dat het gehele traject op geleide van de klachten van belanghebbende heeft plaatsgevonden en niet tijdcontingent, op basis van medisch onderbouwde stappen en tempo. Dat een werkervaringsplaats voor belanghebbende het maximaal haalbare zou zijn geweest, zoals door Maasgroep aangegeven, is op geen enkele wijze medisch onderbouwd en ook niet in overeenstemming met het oordeel van de bedrijfsarts dat belanghebbende in passende arbeid

20

uur per week kan werken.


5.1.

Het voorgaande kan er evenwel niet toe leiden dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Bij het bestreden besluit is niet onderkend dat toepassing gegeven had moeten worden aan het bepaalde in artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA. Daarin is - voor zover van belang - bepaald dat, indien het Uwv de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid, de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming niet is hersteld, te laat geeft, het tijdvak, bedoeld in het negende lid zoveel eerder eindigt als de beschikking later is afgegeven. Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende.


5.2.

Ingevolge het dertiende lid van artikel 25 van de wet WIA dient het Uwv binnen drie weken na ontvangst van het in 1.2 genoemde verzoek om bekorting een beschikking af te geven, in dit geval dus uiterlijk op 20 juli 2011. Daarmee is het besluit van

19 september 2011, waarbij op het verzoek om bekorting is beslist, acht weken en drie dagen te laat afgegeven. Gelet op het veertiende lid van artikel 25 van de Wet WIA dient de tot

11 oktober 2011 opgelegde loonsanctie acht weken en drie dagen eerder, derhalve op

11 augustus 2011, te eindigen.


6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 5.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep gericht tegen het bestreden besluit van 17 april 2012 gegrond verklaard dient te worden met vernietiging van dat besluit. De Raad ziet voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de loonsanctie eindigt op

11 augustus 2011.


7.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 974,- in beroep en

€ 487,- in hoger beroep.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 17 april 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;
  • - bepaalt dat de opgelegde loonsanctie eindigt op 11 augustus 2011;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 1948,- wegens kosten in bezwaar en proceskosten in beroep en in hoger beroep;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 788,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) J.C. Hoogendoorn



TM