Centrale Raad van Beroep, 14-01-2014 / 11-4792 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:236

Inhoudsindicatie
De intrekking van de bijstand van appellanten over de maand augustus 2009 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand kunnen niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over augustus 2009 en de terugvordering. Aangezien het besluit van 14 juli 2010 voor zover daarbij de bijstand over augustus 2009 is ingetrokken op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust en niet aannemelijk is dat het dagelijks bestuur dit gebrek nog kan herstellen, ziet de Raad aanleiding dit besluit in zoverre te herroepen. Het dagelijks bestuur zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 maart 2010. De uitoefening van de bevoegdheid tot volledige terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand is niet bestreden. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om over deze periode zelf in de zaak te voorzien. De Raad ziet in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking die naar verwachting geen discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschilbeslechting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-01-14
Publicatiedatum
2014-01-31
Zaaknummer
11-4792 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2014/47
  • USZ 2014/52
Uitspraak

11/4792 WWB, 11/4793 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2011, 11/124 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en[Appellante] (appellante) te [woonplaats ]

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, gemeentelijk collectief voor werk, inkomen en zorg (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. O.T.J.A. Kicken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Dr. mr. L.E.M. Hendriks, advocaat en de opvolgend gemachtigde van appellanten, heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 12/4942 WWB en 12/4943 WWB plaatsgevonden op 12 november 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door

dr. mr. Hendriks. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.H.M. Limpens. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 1 augustus 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag van appellanten om een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) heeft een medewerker van Intermezzo voor ondernemers b.v. (Intermezzo) op 21 april 2010 een bedrijfsbezoek afgelegd en ter plekke een gesprek gevoerd met appellant om de levensvatbaarheid van het bedrijf te beoordelen. Daarbij is geconstateerd dat appellant in het vanaf januari 2010 gehuurde bedrijfspand een zestal auto’s te koop aanbiedt. Bij die gelegenheid heeft appellant 23 vrijwaringsbewijzen getoond inzake auto’s die hij op zijn bedrijfslocatie voor familieleden heeft verkocht. Deze informatie is doorgegeven aan sociaal rechercheur [naam sociaal rechercheur]([naam sociaal rechercheur]) van de intergemeentelijke sociale dienst Kompas, die vervolgens onderzoek heeft ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit het opvragen van gegevens bij de Dienst Wegverkeer (RDW) en het horen van appellanten. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 juni 2010.


1.3.

Deze onderzoeksbevindingen zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 14 juli 2010 de bijstand van appellanten over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 april 2010 in te trekken en de over de periode van 1 augustus 2009 tot en met

31 maart 2010 gemaakte kosten van bijstand tot bedrag van € 11.071,82 van appellanten terug te vorderen. Bij besluit van 15 december 2010 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichtingen geen opgave hebben gedaan van de op geld waardeerbare werkzaamheden in verband met verkoop van auto’s, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Blijkens de kentekenregistratie van de RDW hebben in de periode van 24 augustus 2009 tot en met 11 februari 2010 gedurende korte tijd, variërend van enkele dagen tot enkele weken, veertien voertuigen op naam van appellant gestaan en twee op naam van appellante. De registratie van deze voertuigen is in de maanden september 2009 tot en met februari 2010 geëindigd, het merendeel door overdracht aan derden en een enkele keer door aanmelding voor sloop en export. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 december 2009,

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8386) is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat met betrekking tot de auto’s transacties hebben plaatsgevonden en dat op de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellanten staat, de datum is waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsvonden.


4.2.1.

Zoals toegelicht ter zitting, betwisten appellanten niet langer dat in de maanden waarin transacties met auto’s hebben plaatsgevonden (september, november en december 2009, januari en februari 2010) het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellanten bestrijden dat zij in de maand augustus 2009, waarin geen enkele transactie heeft plaatsgevonden, op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht. Voorts zijn zij van mening dat de intrekking van de bijstand over de maand oktober 2009 onterecht is, omdat appellant in die maand alleen een motor voor zijn zwager, broer van appellante, heeft gekocht, waarmee hij geen geld heeft verdiend.


4.2.2.

Het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellanten in augustus 2009 op geld waardeerbare arbeid hebben verricht berust op het gegeven dat zij, blijkens de afschrijving van advertentiekosten van de bankrekening, in die maand tweemaal hebben geadverteerd op Marktplaats.nl. Daarbij heeft het dagelijks bestuur betrokken dat appellant vanaf 1 januari 2003 84 kentekens op zijn naam heeft gehad en dat hij tevens voor familie auto’s heeft verkocht die niet op zijn naam hebben gestaan.


4.2.3.

Het standpunt van het dagelijks bestuur dat het plaatsen van advertenties op Marktplaats.nl, waarin auto’s worden aangeboden, op zichzelf is aan te merken als op geld waardeerbare werkzaamheden of dat daaruit op geld waardeerbare werkzaamheden blijken, kan niet worden onderschreven. Het plaatsen van een advertentie om een auto te verkopen levert geen inkomsten op, maar brengt uitsluitend kosten met zich. Dit kan anders zijn als sprake is van doorlopende autohandel, maar daarvan is in dit geval in de maand augustus 2009 niet gebleken. Voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellanten naast de twee geplaatste advertenties in augustus 2009 meerdere doorlopende advertenties op Markplaats.nl hadden staan is geen enkele aanwijzing geleverd. De omstandigheid dat appellant voor zijn verhuizing naar[woonplaats ] een groot aantal auto’s op zijn naam heeft gehad, is ontoereikend om aan te nemen dat hij al vanaf 1 augustus 2009 in zijn nieuwe woonplaats zich bezig is gaan houden met doorlopende autohandel. Dit geldt eveneens voor de verkoop van auto’s op naam van familieleden, omdat er geen aanwijzingen bestaan dat appellant zich daarmee heeft bezig gehouden voor de start van zijn bedrijf in januari 2010.


4.2.4.

Het standpunt van appellanten dat in de maand oktober 2009 geen sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden, maar louter in familieverband gebruikelijke hulp, kan evenmin worden onderschreven. Volgens de daartoe strekkende schriftelijke verklaring van de zwager, [naam zwager], van 7 september 2010 heeft hij aan appellant opdracht gegeven om voor hem een niet te kostbare motor te zoeken. De activiteiten die met een dergelijke zoekopdracht, die in dit geval succesvol is uitgevoerd, zijn gemoeid kunnen als op geld waardeerbaar worden aangemerkt. Dat sprake was van activiteiten voor (schoon)familie maakt dat niet anders. Bovendien ontbreken controleerbare gegevens over de transacties met deze motor, zodat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat daarmee geen inkomsten zijn verkregen. Het betoog van appellanten dat het dagelijks bestuur de bijstand over de maand oktober 2009 ten onrechte heeft ingetrokken, faalt daarom.


4.3.

Appellanten betwisten dat zij in strijd met de inlichtingenverplichting geen opgave hebben gedaan van de start van het bedrijf in januari 2010. Volgens appellanten was

[naam bedrijfsadviseur], bedrijfsadviseur van Intermezzo, [naam bedrijfsadviseur]) niet alleen daarvan op de hoogte, maar heeft hij ook uitdrukkelijk toestemming verleend om vooruitlopend op de besluitvorming inzake de aanvraag Bbz 2004 met het bedrijf te starten. Ter zitting hebben appellanten aangevoerd dat het dagelijks bestuur ook op de hoogte was van de aanvraag van uitkering ingevolge het Bbz 2004 die appellant tevoren bij de gemeente Maastricht had ingediend en waarover het Instituut voor het Midden en Kleinbedrijf (IMK) heeft geadviseerd. Ook op die wijze was het dagelijks bestuur ervan op de hoogte dat appellant met zijn bedrijf was gestart.


4.4.

Voor dit standpunt van appellanten is in de gedingstukken geen ondersteuning te vinden.[naam bedrijfsadviseur] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij op de vraag van appellant of hij met het bedrijf kon starten destijds heeft geantwoord dat appellant altijd kan starten, maar zonder hulp van de gemeente en dat een financiering en uitkering van de gemeente uitgesloten is. Daargelaten dat[naam bedrijfsadviseur] in zijn adviserende rol geen uitspraken kan doen die het dagelijks bestuur kunnen binden, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat[naam bedrijfsadviseur] voor het bedrijfsbezoek op 21 april 2010 op de hoogte was dat appellant daadwerkelijk met zijn bedrijf was gestart. Dat appellant, zoals ter zitting aangevoerd, uit de woorden van[naam bedrijfsadviseur] niet heeft begrepen dat het dagelijks bestuur hem geen toestemming zal verlenen om met behoud van de bijstandsuitkering met het bedrijf te starten, kan appellanten niet baten. Dat het dagelijks bestuur naar aanleiding van een eerdere aanvraag om uitkering ingevolge het Bbz 2004 in de gemeente Maastricht en een uitgebracht IMK-rapport op de hoogte was van de start van het bedrijf, hebben appellanten eerst ter zitting naar voren gebracht en ook daarvoor is in de gedingstukken geen ondersteuning te vinden. Appellant heeft tegenover [naam sociaal rechercheur] bevestigd dat hij in maart en april 2010 in zijn loods in totaal 23 auto’s voor familie heeft doorverkocht. Daarbij heeft appellant tevens verklaard dat hij van deze inkomsten aan het dagelijks bestuur geen melding heeft gedaan omdat appellanten spullen nodig hadden voor het bedrijf en zij de schuld bij de vader van appellant moesten aflossen. Appellante heeft na lezing van deze op schrift gestelde verklaring van appellant verklaard dat zij het daarmee geheel eens is en daaraan niets toe te voegen heeft. Gelet op deze gegevens berust het besluit van het dagelijks bestuur om de bijstand van appellanten over de maanden maart en april 2010 in te trekken op een juiste grondslag.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de intrekking van de bijstand van appellanten over de maand augustus 2009 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand niet in stand kunnen blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over augustus 2009 en de terugvordering. Aangezien het besluit van 14 juli 2010 voor zover daarbij de bijstand over augustus 2009 is ingetrokken op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust en niet aannemelijk is dat het dagelijks bestuur dit gebrek nog kan herstellen, ziet de Raad aanleiding dit besluit in zoverre te herroepen. Het dagelijks bestuur zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 maart 2010. De uitoefening van de bevoegdheid tot volledige terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand is niet bestreden. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om over deze periode zelf in de zaak te voorzien. De Raad ziet in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking die naar verwachting geen discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschilbeslechting.


5.

Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 december 2010 voor zover daarbij de intrekking van de bijstand

over de maand augustus 2009 en de terugvordering zijn gehandhaafd;

- herroept het besluit van 14 juli 2010 voor zover daarbij de bijstand van appellanten over de

maand augustus 2009 is ingetrokken en bepaalt dat deze uitspraak zoverre in de plaats treedt

van het vernietigde deel van het besluit van 15 december 2010;

- draagt het dagelijks bestuur op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen inzake de

terugvordering;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van

€ 2.832,-.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2014.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) P. Uijtdewillegen



sg