Centrale Raad van Beroep, 31-01-2014 / 12-1167 AKW


ECLI:NL:CRVB:2014:272

Inhoudsindicatie
Weigering kinderbijslag vanwege het ontbreken van een verblijfstitel als genoemd in art. 6 lid 2 AKW is niet in strijd met het internationale recht. Verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2013:994 en ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905. Geen rechtstreekse werking van art. 24 IVBPR. Er bestaat geen aanleiding om de procedure aan te houden in afwachting van het VN-Mensenrechtencomité.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-01-31
Publicatiedatum
2014-02-05
Zaaknummer
12-1167 AKW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/1167 AKW, 12/1343 AKW

Datum uitspraak: 31 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 januari 2012, 11/7417 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. S. Çakici-Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Svb heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2013. Namens betrokkene is verschenen mr. J. Sprakel, kantoorgenoot van mr. Çakici-Reinders. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN


1.1. Betrokkene is [in] 1987 geboren en in december 2001 vanuit Kosovo naar Nederland gekomen. Zij heeft tien jaar in de huishouding bij haar oom gewerkt en is door hem uit huis gezet toen zij zwanger bleek te zijn. Op 16 december 2010 is haar dochter [naam dochter] geboren. Betrokkene beschikt niet over een verblijfsvergunning.


1.2. Bij beslissing van 25 mei 2011 is de aanvraag om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) door de Svb afgewezen. Deze beslissing is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 september 2011 (bestreden besluit).


2.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Zij heeft bij haar oordeelsvorming de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905) in een aantal vergelijkbare zaken tot leidraad genomen. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat het beroep op diverse verdragsbepalingen niet kan leiden tot een uitzondering op het in artikel 6, tweede lid, van de AKW neergelegde koppelingsbeginsel. In het kader van de toetsing aan artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM heeft de Raad het in artikel 6, tweede lid, van de AKW gemaakte onderscheid echter voor bepaalde, nader omschreven, gevallen niet gerechtvaardigd geacht. De rechtbank heeft geconcludeerd dat betrokkene niet voldoet aan de door de Raad geformuleerde voorwaarden. Het koppelingsbeginsel kan betrokkene onverkort worden tegengeworpen. Dit betekent dat betrokkene aan het nationale en het internationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen.


3.1.

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft de Hoge Raad op 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) het beroep in cassatie, ingesteld door de Svb tegen de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, gegrond verklaard, de uitspraak van de Raad vernietigd en de onderliggende uitspraken van de rechtbanken bevestigd. De Hoge Raad heeft hiertoe overwogen dat het in artikel 6, tweede lid, van de AKW gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, ook in het geval van betrokkenen, een legitiem doel dient en ook in hun geval in een redelijke en proportionele verhouding staat tot dat legitieme doel, zodat voor dat onderscheid ook in hun geval een toereikende rechtvaardiging bestaat. Hierbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het onderscheid niet hoeft te worden gerechtvaardigd door zeer gewichtige redenen, maar dat bepalend is of een dergelijk onderscheid wordt gerechtvaardigd door toereikende argumenten. In dat kader heeft de Hoge Raad onder meer van belang geacht dat het voorwerp van geschil de sociale zekerheid betreft, op welk gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Voor de rechtvaardiging van de uitsluiting van bepaalde groepen vreemdelingen van het recht op kinderbijslag heeft de Hoge Raad, naast de (legitieme) doelstelling van de koppelingswetgeving, verder van betekenis geacht dat bij de ouders een eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen rust, waarbij kinderbijslag slechts is bedoeld als ondersteuning in de kosten daarvan en niet behoort tot de sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Hoewel het kind in zekere zin een eigen belang heeft bij de uitkering, heeft het geen zelfstandige aanspraak op kinderbijslag noch resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag. Anders dan de Raad heeft de Hoge Raad de omstandigheid dat een betrokkene met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijft en door dit verblijf met zijn gezin een bepaalde band met de Nederlandse samenleving heeft kunnen opbouwen, in zijn beoordeling niet relevant geacht. Ook indien de band van de betrokkenen met Nederland zo sterk is geworden dat zij naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande wonen in de zin van artikel 3 van de AKW, is volgens de Hoge Raad geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven om een nuancering aan te brengen op het oordeel dat het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is. Ook het bepaalde in het IVRK leidt niet tot een ander oordeel.


3.2.

In hoger beroep heeft betrokkene herhaald dat de weigering om kinderbijslag te verstrekken in strijd is met diverse (mensenrechten)verdragen. Ook heeft de Hoge Raad in het arrest van 23 november 2012 onvoldoende betekenis toegekend aan de belangen van het kind, zoals bedoeld in met name het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), bij het verkrijgen van kinderbijslag. Om die reden hebben de gemachtigde van appellant en zijn kantoorgenoten, namens de betrokkenen in het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, op 8 mei 2013 een klacht ingediend bij het Human Rights Committee

(VN-Mensenrechtencomité) te Geneve. Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkene de Raad verzocht om de onderhavige procedure aan te houden totdat het

VN-Mensenrechtencomité zijn Inzichten heeft vastgesteld.


3.3.

Het hoger beroep van de Svb richt zich enkel tegen de gronden waarop de rechtbank haar oordeel heeft gestoeld, nu tegen de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 door de Svb cassatie was ingesteld.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, wordt geen aanleiding gezien deze procedure aan te houden, nu het niet ondenkbeeldig is dat het nog geruime tijd zal duren voordat het VN-Mensenrechtencomité zijn Inzichten zal hebben vastgesteld, nog daargelaten de vraag of een eventueel gegronde klacht (directe) consequenties heeft voor het onderhavige hoger beroep.


4.2.

Het geding betreft het recht op kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van 2011. Niet in geschil is dat betrokkene aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. In geschil is wel de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat betrokkene, in de periode in geding, niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW, op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.3.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. In die uitspraak heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, overwogen dat het beroep op artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. In het kader van de toetsing aan het discriminatieverbod kan ook het beroep op het IVRK, gezien het arrest van de Hoge Raad, niet tot een andere uitkomst leiden (vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 23 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2492). Artikel 24 van het IVBPR, waar door betrokkene ook een beroep op is gedaan, bevat, wat betreft de door de Staat te ondernemen actie, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toegepast kan worden. Er is dan ook op dit punt geen sprake van een ieder verbindende bepaling in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De beoordeling van het discriminatieverbod in artikel 24 van het IVBPR leidt niet tot een andere uitkomst dan in het kader van artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM. Voorts is in de uitspraak van 5 juli 2013 het beroep op artikel 8 van het EVRM gemotiveerd verworpen. Het beroep op diverse andere verdragsbepalingen is reeds in de uitspraak van 15 juli 2011 door de Raad verworpen.


4.4.

Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van betrokkene zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel is niet gebleken. Hierbij is, in het kader van de beoordeling van het recht op kinderbijslag, niet van belang of betrokkene het slachtoffer is geweest van vrouwenhandel en uitbuiting en reeds op jonge leeftijd, wellicht gedwongen, naar Nederland is gekomen, hoezeer dat in algemene zin ook te betreuren is.


4.5.

De in 4.2 geformuleerde vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.


4.6.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient te worden bevestigd.


4.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit tevens voort dat het hoger beroep dat is ingesteld door de Svb geen behandeling behoeft.


5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos , in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2014.




(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) E. Heemsbergen




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.




IJ