Centrale Raad van Beroep, 10-10-2014 / 12-3209 WAJONG-T


ECLI:NL:CRVB:2014:3304

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Weigering Wajong-uitkering. Voldoende medische grondslag. Medische urenbeperking. De Raad is in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2009:BH3691 niet akkoord gegaan met een (tussentijdse) afronding van de reductiefactor. Bepalend is niet op welke wijze het systeem van het Uwv werkt, maar wat op grond van de geldende regeling en de rechtspraak van de Raad wordt vereist. Geen van beide eisen dat gerekend zou moeten worden met een in vier decimalen uitgedrukt mediaan uurloon. Onvoldoende arbeidskundig grondslag. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-10
Publicatiedatum
2014-10-14
Zaaknummer
12-3209 WAJONG-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2014/246
  • USZ 2014/374
Uitspraak

12/3209 WAJONG-T

Datum uitspraak: 10 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van

26 april 2012, 11/680 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd waarop het Uwv met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, geboren op [geboortedag] 1985, heeft met een op 21 februari 2011 ondertekend formulier een laattijdige aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend vanwege sinds 2002 aanwezige psychische en lichamelijke klachten.


1.2. Bij besluit van 2 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2011 ongegrond verklaard. Daaraan liggen verzekeringsgeneeskundige en bezwaararbeidskundige onderzoeken ten grondslag. De verzekeringsarts is tot de slotsom gekomen dat bij appellant op zijn 18e verjaardag sprake was van verminderd benutbare mogelijkheden als gevolg van pijnklachten passend bij fibromyalgie, artritis en slaapstoornissen passend bij PTSS. De beperkingen, waaronder een medische urenbeperking van 6 uur per dag, 30 uur per week, zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 maart 2011. Rekening houdend met de FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige functies geselecteerd waarna hij vervolgens het verlies aan verdiencapaciteit in deze functies ten opzichte van het maatmaninkomen heeft berekend op 24,97%. Dat heeft ertoe geleid dat het Uwv aan appellant een Wajong-uitkering heeft geweigerd, omdat hij ten tijde van zijn 18e verjaardag in staat was om meer dan 75% van het maatmaninkomen te kunnen verdienen.


2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank -voor zover van hier belang- het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken onzorgvuldig te achten. Appellant is door de verzekeringsarts op het spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft voorts dossieronderzoek verricht en informatie van derden betrokken. Vervolgens heeft deze arts gelet op de ziektebeelden in de verschillende rubrieken van een FML van 31 maart 2011 beperkingen vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven. De rechtbank heeft in de conclusies van de verzekeringsartsen geen aanwijzingen kunnen vinden om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant is overschat. Appellant heeft niet met concrete medische gegevens aannemelijk gemaakt dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld.


2.2. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Het Uwv heeft het gebrek dat appellant bij de primaire beoordeling niet is gezien door een arbeidsdeskundige, in de bezwaarfase hersteld nu daarin een bezwaararbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft de rechtbank, gezien de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 16 augustus 2011, geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de passendheid van de voor appellant geselecteerde functies. Het verlies aan verdiencapaciteit in deze functies ten opzichte van het maatmaninkomen is berekend op 24,97%, zodat het Uwv terecht een Wajong-uitkering aan appellant heeft geweigerd.


3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de medische en arbeidskundige onderzoeken niet zorgvuldig zijn verricht. Voorts zijn de beperkingen als gevolg van fibromyalgie, artritis en de psychische klachten onderschat. Tevens is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de medicatie die appellant gebruikt.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld over zijn belastbaarheid vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij eerder in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voor hem voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden.


4.2.

Op de door appellant overgelegde gegevens in hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 7 april 2014 gemotiveerd te kennen gegeven waarom met de FML van 31 maart 2011 in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellant. Uit het geheel van gegevens zijn onvoldoende aanknopingspunten naar voren gekomen om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen. Het betreden besluit berust op een voldoende deugdelijke, medische grondslag.


4.3.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt het volgende overwogen. Zoals in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 augustus 2011 is te lezen, brengt de omstandigheid dat voor appellant een medische urenbeperking geldt mee dat wanneer de mediane uurloonwaarde meer bedraagt dan het maatmanuurloon, de mediane uurloonwaarde wordt afgetopt op het maatmanuurloon. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige impliceert dat, dat de omvang van de mediane functie in wezen direct de mate van arbeidsongeschiktheid bepaalt ten opzichte van de maatgevende omvang van 38 uur per week. Omdat 75% van 38 uur gelijk is aan 28,50, heeft de bezwaararbeidsdeskundige onderzocht of er op 13 juni 2011 tenminste 3 functies geduid kunnen worden die een grotere omvang hebben dan 28,50 uur. De mediane functie van de schatting heeft een urenomvang van 28,51 uur. In verband met de verhouding van de omvang van deze functie ten opzichte van de maatgevende omvang van 38 uur heeft de bezwaararbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 24,97%. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv bevestigd dat ook volgens zijn eigen berekeningen deze mate van arbeidsongeschiktheid juist is. Een mogelijke uitkomst van meer dan 25% zou volgens hem het gevolg zijn van een tussentijdse afronding naar twee decimalen, wat op grond van een uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2009:BH3691) niet is toegestaan.


4.4.

Artikel 2 van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 (Besluit van 12 augustus 2008, Stcrt. 181, gewijzigd 13 juli 2010, Stcrt. 12828) luidt als volgt:

“1. Is de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid kleiner dan de urenomvang van de maatgevende arbeid, dan wordt het mediane uurloon vermenigvuldigd met een factor a/b. Hierbij is a gelijk aan de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid en is b gelijk aan de urenomvang van de maatgevende arbeid.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid als volgt vastgesteld:

a. De urenomvang wordt per SBC-code gesteld op de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies.

b. Vervolgens wordt van de drie bij de schatting gehanteerde SBC-codes de kleinste urenomvang aangehouden.

3.

Is betrokkene op medische gronden minder dan het aantal uren van de maatgevende arbeid belastbaar, dan wordt het eerste lid pas toegepast nadat het mediane uurloon overeenkomstig artikel 6 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is gemaximeerd op het maatmaninkomen per uur.”

Het voor appellant geldende maatmanloon is vastgesteld op € 9,35. De kleinste urenomvang binnen de drie bij de schatting gebaseerde SBC-codes bedraagt 28,51 uur. Gegeven de urenomvang van de maatgevende arbeid van 38 bedraagt het voor de schatting in aanmerking te nemen mediane uurloon (€ 9,35 x 28,51/38 =) € 7,01. De mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt dan ((9,35 - 7,01) : 9,35) x 100% = 25,03%.


4.5.

Uit de in 4.3 genoemde uitspraak blijkt dat de Raad niet akkoord is gegaan met een (tussentijdse) afronding van de reductiefactor. Met een urenomvang van de geduide functies van 20 uur en een omvang van de maatgevende arbeid van 31 uur, had het Uwv als reductiefactor gehanteerd 0,65 (20/31 = 0,645 = 0,65). De gemachtigde van het Uwv heeft gemeld dat als gevolg van deze uitspraak het automatische systeem is aangepast en dat in alle berekeningen wordt gewerkt met vier decimalen. Bepalend is echter niet op welke wijze het systeem van het Uwv werkt, maar wat op grond van de geldende regeling en de rechtspraak van de Raad wordt vereist. Geen van beide eisen dat gerekend zou moeten worden met een in vier decimalen uitgedrukt mediaan uurloon. In de in 4.3 genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat in dat geval het mediane uurloon van € 7,98 dient te worden vermenigvuldigd met 20 en de uitkomst daarvan gedeeld dient te worden door 31 en dat dat resulteert in een verdiencapaciteit van (afgerond) € 5,15 per uur. De berekening van de verdiencapaciteit van appellant bedraagt in vier decimalen uitgedrukt € 7,0149. Niet ter discussie staat dat volgens de algemeen geldende afrondingsregels dit bedrag wordt afgerond op € 7,01.


4.6.

Uit de overwegingen in 4.3 tot en met 4.5 volgt dat aan het bestreden besluit een (arbeidskundig) gebrek kleeft aangezien appellant met zijn beperkingen op [geboortedag] 2003 als gevolg van ziekte en/of gebrek tenminste 52 weken buiten staat is geweest om met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 75% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Dit betekent dat de aanvraag van appellant op grond van de Wet Wajong ten onrechte is afgewezen.


4.7.

De Raad beschikt niet over de gegevens die nodig zijn om zelf in de zaak te voorzien. Daarom wordt het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en

C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van M.H. Crum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2014.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) M.H. Crum




JvC