Centrale Raad van Beroep, 14-10-2014 / 13-3200 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:3328

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering. Appellante en haar ex-echtgenoot leefden niet duurzaam gescheiden. Er was - na de echtscheiding - gelet op het gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-14
Publicatiedatum
2014-10-16
Zaaknummer
13-3200 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3200 WWB, 13/3201 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 mei 2013, 12/6348 en 12/6434 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pot. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante was sinds 10 maart 1983 gehuwd met T. [S.] ([S.]). Zij hebben samen vier kinderen. Het huwelijk tussen appellante en [S.] is op 22 augustus 2012 door echtscheiding ontbonden.


1.2.

Appellante ontving sinds 1 november 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat sinds

13 oktober 1984 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente [naam gemeente 1] ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 1]. De kinderen van appellante staan ook ingeschreven op dit adres. [S.] staat sinds 30 juli 2012 in de GBA van de gemeente [naam gemeente 2] ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2].


1.3.

Naar aanleiding van een melding van gerechtsdeurwaarder de Klerk en Vis op 20 juli 2012 bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam dat appellante de telefoon opnam toen geprobeerd werd [S.] te bellen, heeft de afdeling Handhaving van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer op 29 augustus 2012 een huisbezoek afgelegd op het adres van appellante en is met haar een gesprek gevoerd op het kantoor van de DWI. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 31 augustus 2012.


1.4.

Bij besluit van 13 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

20 november 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 14 juli 2012. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en [S.] van 14 juli 2012 tot en met 22 augustus 2012 niet duurzaam gescheiden leefden en vanaf 23 augustus 2012 een gezamenlijke huishouding voeren. Appellante heeft daarom geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.5.

Bij besluit van 24 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

22 november 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college de over de periode van 14 juli 2012 tot en met 31 augustus 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.605,97 van appellante teruggevorderd.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over de periode van 1 tot en met 13 september 2012, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit 1 en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht heeft geconcludeerd dat in de periode van 14 juli 2012 tot en met 22 augustus 2012 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven, nu uit de verklaring van appellante blijkt dat er in deze periode geen sprake van was dat appellante en [S.] ieder afzonderlijk hun eigen leven leidde. Voorts heeft het college terecht geconcludeerd dat [S.] in de periode van 23 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2012 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had. Hiertoe is van belang dat uit het rapport van de DWI van 31 augustus 2012 blijkt dat appellante heeft verklaard dat [S.] in bedoelde periode bijna elke dag van de week op haar adres sliep. Daarnaast is [S.] tijdens het huisbezoek op 29 augustus 2012 op het adres van appellante aangetroffen en werd er in de woning kleding van [S.] aangetroffen. De voornoemde bevindingen zijn voldoende om te concluderen dat er sprake was van een hoofdverblijf in dezelfde woning, waardoor het college - anders dan appellante heeft betoogd - niet gehouden was nog nader onderzoek te doen. Ten aanzien van de periode van intrekking van 1 september 2012 tot en met 13 september 2012 heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeksresultaten onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat ook toen sprake was van een gezamenlijke huishouding.


3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij bestrijdt - kort gezegd - dat zij en [S.] in de periode van 14 juli 2012 tot 1 september 2012 niet duurzaam gescheiden leefden dan wel een gezamenlijke huishouding voerden.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante en [S.] in de periode van 14 juli 2012 tot en met 22 augustus 2012 niet duurzaam gescheiden leefden en dat er - na de echtscheiding - gelet op het gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellant sprake was van een gezamenlijke huishouding in de periode van 23 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2012. De Raad verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen.


4.2.

Uit 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) M.R. Schuurman



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen duurzaam gescheiden leven en gezamenlijke huishouding.



HD