Centrale Raad van Beroep, 08-10-2014 / 13-3627 ZW


ECLI:NL:CRVB:2014:3396

Inhoudsindicatie
1) Beëindiging ZW-uitkering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in aangevallen uitspraak, waarin het beroep ongegrond is verklaard. 2) Weigering terug te komen van het besluit uit 2003. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-08
Publicatiedatum
2014-10-23
Zaaknummer
13-3627 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3627 ZW, 14/3494 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 30 mei 2013, 13/413 (aangevallen uitspraak 1) en van 5 juni 2014, 13/2872 (aangevallen uitspraak 2).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Hofstra, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hofstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich op 11 augustus 2003 ziek gemeld vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving. Bij besluit van 23 september 2003 heeft het Uwv het recht van appellant op ziekengeld met ingang van 22 september 2003 beëindigd. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

Op 10 juli 2007 heeft appellant zich, eveneens vanuit een WW-uitkeringssituatie, ziek gemeld. Bij besluit van 7 september 2007 heeft het Uwv, met terugwerkende kracht ingaande 17 juli 2007 aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.3.

Bij besluit van 29 augustus 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per

3 september 2007 volgens de ZW weer geschikt is om zijn werk te doen en is zijn

ZW-uitkering per die dag beëindigd. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.4.

Bij brief van 13 juli 2009 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 29 augustus 2007, omdat zijn gezondheidsproblemen in 2007 veel groter waren dan door het Uwv was ingeschat. Bij besluit van 4 december 2009 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen en vervolgens het tegen dit besluit gerichte bezwaar bij beslissing van

21 januari 2010 ongegrond verklaard.


1.5.

Bij uitspraak van 20 september 2012 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 januari 2010 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van

4 december 2009. De rechtbank heeft daartoe doorslaggevende betekenis toegekend aan een op 30 januari 2012 uitgebracht medisch deskundigenrapport van Cavari Clinics. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 18 december 2012 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en aan appellant over de periode van 3 september 2007 tot en met 6 juli 2009 een ZW-uitkering toegekend. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.


1.6.

Op 19 april 2013 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van

23 september 2003, omdat de verzekeringsarts die destijds concludeerde dat appellant op

22 september 2003 niet langer wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, toen nog niet kon weten dat de ziekteverschijnselen voortkwamen uit de door

prof. dr. J. Stam van het AMC in 2009 gestelde diagnose van een progressieve neurologische ziekte. Gelet op nieuw gebleken feiten en omstandigheden, te weten het deskundigenrapport van 30 januari 2010 is het alleszins redelijk om de eerste ziektedag vast te stellen op

11 augustus 2003.


1.7.

Bij beslissing, genomen op bezwaar, van 18 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv volhard in zijn afwijzing van het verzoek van appellant van 9 juli 2013. Aan bestreden besluit 2 is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

13 september 2013 ten grondslag gelegd. Ook tegen bestreden besluit 2 heeft appellant beroep ingesteld.


2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen (appellant aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder):


“De rechtbank is van oordeel dat eisers betoog niet kan slagen. Eiser heeft verweerder verzocht terug te komen op het besluit van 29 augustus 2007 tot beëindiging van de ZW-uitkering per 3 september 2007. Bij het bestreden besluit is verweerder (alsnog) teruggekomen op dit besluit en heeft verweerder eiser over de periode van 3 september 2007 tot en met 6 juli 2009 alsnog een ZW-uitkering toegekend. Daarmee is verweerder na het oordeel van de rechtbank volledig tegemoetgekomen aan eisers verzoek van 13 juli 2009. Anders dan eiser meent, heeft het besluit van 29 augustus 2007 enkel betrekking op de beëindiging van de ZW-uitkering en niet op de toekenning daarvan. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het besluit van

29 augustus 2007 niets staat over de toekenning van een ZW-uitkering. De rechtbank begrijpt uit de stukken dat verweerder in eerste instantie toepassing heeft gegeven aan artikel 52c, eerste lid, van de ZW, waarin ten tijde van belang was bepaald dat de artikelen 3:40 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn op de toekenning van ziekengeld, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan bekendmaking van de beschikking geen behoefte bestaat. Later heeft verweerder de beschikking tot toekenning van de ZW-uitkering alsnog aan eiser bekend gemaakt per brief van 7 september 2007. Hieruit volgt dat dit geding zich niet kan uitstrekken tot de periode vóór 3 september 2007 en dat de ingangsdatum van de ZW-uitkering in dit geding niet ter discussie kan worden gesteld.”


3. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad is de rechtbank van oordeel dat de nader gestelde diagnose van prof. dr. Stam in zijn rapport van

3 augustus 2009 niet als een nieuw feit kan worden aangemerkt, omdat die diagnose is gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens. Dit rapport bevat een nadere diagnose die (het beloop van) de klachten van appellant sinds het jaar 2000 kan verklaren, maar het levert geen nieuwe gegevens op met betrekking tot de belastbaarheid van appellant per 22 september 2003. Het in januari 2012 op verzoek van de rechtbank uitgebrachte rapport van Cavari Clinics, heeft geen betrekking op de medische situatie van appellant per 22 september 2003, maar op die situatie in 2007. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden met betrekking tot de situatie van appellant per 22 september 2003 heeft het Uwv het verzoek van appellant op goede gronden afgewezen.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 (samengevat) gesteld dat, nu de toekenningbeslissing (van 7 september 2007) werd verstrekt op het moment dat het recht waarop de toekenningsbeslissing betrekking had al was geëindigd, aan deze beslissing geen rechtsgevolg meer toekomt en daarom met het besluit van 29 augustus 2007 zowel een oordeel is gegeven over de eerste ziektedag, de eerste uitkeringsdag, de hoogte van het dagloon en de beëindiging van de uitkering. Bij appellant was al vanaf 2000 een progressieve spierziekte aanwezig.


4.2.

In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant zich (samengevat) op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er geen nieuw gebleken feit was en daardoor eveneens ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan over de inhoudelijke gronden van het beroep.


5. De Raad, oordelend over dat wat in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken is aangevoerd overweegt als volgt.


133627 ZW

5.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 volledig en maakt dat tot de zijne. Het standpunt van appellant, als vermeld in 4.1 vindt geen steun in het recht. Bovendien is de door appellant voorgestane lezing van het besluit van

29 augustus 2007 feitelijk onjuist, nu dit besluit duidelijk alleen betrekking heeft op de beëindiging van de ZW-uitkering. Het hoger beroep slaagt niet.


143494 ZW

5.2.

Het verzoek van appellant van 9 juli 2013 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 23 september 2003.


5.3.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Uit bestreden besluit

2 en het daaraan ten grondslag gelegde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 september 2013 komt naar voren dat het Uwv in dit geval het oorspronkelijke besluit feitelijk in volle omvang heeft heroverwogen. Indien na een eerder afwijzend besluit, zoals in dit geval het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering van appellant per 22 september 2003, een besluit van gelijke strekking wordt genomen, hier bestreden besluit 2, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Er is alleen plaats voor inhoudelijke toetsing voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, is voor inhoudelijke toetsing geen plaats.


5.4.

Zoals vermeld bij overweging 1.6 heeft appellant zijn verzoek doen steunen op de diagnose van prof. dr. Stam in diens rapport van 3 augustus 2009 en op het deskundigenrapport van Cavari Clinics van 30 januari 2010. In laatstgenoemd rapport zijn de bevindingen van prof. dr. Stam betrokken. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat dit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, nu deze rapporten zijn gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens en weliswaar een verklarende diagnose geven voor het beloop van de klachten van appellant sinds het jaar 2000, maar geen nieuwe gegevens bevatten met betrekking tot de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant per 22 september 2003. Voor inhoudelijke toetsing van bestreden besluit 2 is daarom geen plaats. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het Uwv in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 terecht ongegrond verklaard.


6. Uit hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraken bevestigd dienen te worden.


7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) W. de Braal




JS