Centrale Raad van Beroep, 20-10-2014 / 12-4284 WSF-W


ECLI:NL:CRVB:2014:3406

Inhoudsindicatie
Afwijzing wrakingsverzoek. Geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat ten aanzien van verzoeker een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat mrs. Van der Kade, De Vries en Brand jegens hem vooringenomen zijn bij de behandeling van verzoekers zaak die na de zitting is heropend, ook niet na de uitbreiding van dit geding door het door verzoeker ingediende verzoek om schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-20
Publicatiedatum
2014-10-23
Zaaknummer
12-4284 WSF-W
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/4284 WSF-W

Datum uitspraak: 20 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het wrakingsverzoek gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats](verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij beroepschrift van 29 juli 2012 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 juni 2012, 10/1478, 10/1484 en 11/1183, in het geding tussen verzoeker en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister).

De Raad heeft deze zaken behandeld ter zitting van 21 februari 2014 en vervolgens op

25 april 2014 uitspraak gedaan op dit hoger beroep voor zover het de zaken betreft met de nummers 10/1478 en 11/1183. In de zaak 10/1484 is het onderzoek heropend en is de Minister in de gelegenheid gesteld de berekening van de hoogte van de lening van verzoeker toe te lichten. De Minister heeft deze berekening toegelicht bij brief van 19 augustus 2014.

Bij brief van 1 september 2014 heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Tevens heeft verzoeker bij brief van 1 september 2014 de raadsheren gewraakt van de meervoudige kamer die de uitspraak van 25 april 2014 heeft gedaan, te weten

mrs. M.M. van der Kade, T.L. de Vries en J. Brand.

Mrs. Van der Kade, De Vries en Brand zijn in de gelegenheid gesteld op het verzoek om wraking te reageren. Zij hebben van die gelegenheid (gezamenlijk) gebruikt gemaakt bij brief van 23 september 2014. Voorts zijn zij in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 13 oktober 2014. Zij hebben te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te zullen maken.

OVERWEGINGEN


1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.


2.1.

Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de rechters die zijn heropende zaak in behandeling hebben niet onpartijdig zijn ten aanzien van de thans nog aanhangige beroepszaak van verzoeker. Naar hij hierover stelt hebben de gewraakte rechters in de uitspraak van 25 april 2014 ten onrechte afgezien van de inhoudelijke beoordeling van een vijftal (van elkaar verschillende) verzoeken tot vaststellen van schending van artikel 6 van het EVRM door de rechtbank. Naar verzoeker stelt is het achterwege laten van een beoordeling van deze verzoeken zozeer onbegrijpelijk dat de vrees kan bestaan dat die beslissing is ingegeven door partijdigheid van de gewraakte raadsheren, zodat volgens verzoeker moet worden gevreesd dat zij het verzoek om schadevergoeding dat verzoeker op

1 september 2014 heeft ingediend ook niet inhoudelijk zullen beoordelen.


2.2.

Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking verder ten grondslag gelegd dat de afwijzing van zijn verzoek om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens schending door de rechtbank van haar motiveringsplicht zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, mede gelet op de vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens waarop verzoeker in zijn hoger beroepschrift heeft gewezen. Naar verzoeker stelt is de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding zozeer onbegrijpelijk dat de vrees kan bestaan dat die beslissing is ingegeven door partijdigheid van de gewraakte raadsheren, zodat volgens verzoeker moet worden gevreesd dat zij het verzoek om schadevergoeding dat verzoeker op 1 september 2014 heeft ingediend ook zullen afwijzen.


2.3.

Tot slot heeft verzoeker aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat ten onrechte geen enkel oordeel is gegeven over de schending door de rechtbank van het in

artikel 6 van het EVRM verankerde beginsel van hoor en wederhoor. Ook dit leidt verzoeker tot de vrees dat de gewraakte raadsheren zijn verzoek om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet inhoudelijk zullen beoordelen.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon) van de rechter die de zaak behandelt.

Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie bijvoorbeeld HR

21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).


3.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693) heeft onpartijdigheid van een rechter niet reeds te lijden door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld.


3.3.

In de in het wrakingsverzoek naar voren gebrachte feiten en omstandigheden heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat ten aanzien van verzoeker een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat mrs. Van der Kade, De Vries en Brand jegens hem vooringenomen zijn bij de behandeling van verzoekers zaak die na de zitting van

21 februari 2014 is heropend, ook niet na de uitbreiding van dit geding door het op

1 september 2014 door verzoeker ingediende verzoek om schadevergoeding. Uit de omstandigheden dat, zoals door verzoeker gesteld, in de (uitgebreid gemotiveerde) uitspraak van 25 april 2014 niet alle aangevoerde argumenten afzonderlijk en met zo veel woorden zijn behandeld, dat niet op alle door verzoeker als “vorderingen” betitelde punten, expliciet en volgens het door hem in zijn beroepschrift gevolgde stramien is ingegaan en dat de (eerdere) verzoeken om schadevergoeding niet zijn gehonoreerd, kan dat, anders dan verzoeker meent, niet worden afgeleid. De zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2784, waarop verzoeker heeft gewezen, is met de onderhavige zaak niet vergelijkbaar.


3.4.

Ter voorlichting van verzoeker wordt erop gewezen dat zaken zoals de thans nog aanhangige zaak van verzoeker, waarin het geschil na de heropening door de ontvangst van nadere informatie in omvang beperkt is, gebruikelijk door de meervoudige kamer naar een enkelvoudige kamer wordt verwezen. Dat geldt ook indien, zoals hier, op een later moment een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is ingediend. Er is op voorhand geen aanleiding te veronderstellen dat in de onderhavige zaak van die werkwijze wordt afgeweken.


3.5.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking van mrs. Van der Kade, De Vries en Brand moet worden afgewezen.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het wrakingsverzoek af.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is

uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2014.



(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) C. Moustaine



HD