Centrale Raad van Beroep, 08-10-2014 / 12-6628 ZW


ECLI:NL:CRVB:2014:3418

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-08
Publicatiedatum
2014-10-22
Zaaknummer
12-6628 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6628 ZW

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 maart 1998, 96/11356 ZW.

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J. Groen, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 maart 1998, 96/11356 ZW.

Het Uwv heeft een reactie op het verzoek ingezonden.

Verzoeker heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat. Op verzoek van verzoeker is ter zitting verschenen en als getuige gehoord[X.], voormalig collega van verzoeker. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, zoals deze bepalingen golden ten tijde van het herzieningsverzoek, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


1.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, een nieuwe discussie over de betrokken uitspraak te openen.


1.3.

Nieuwe feiten die na de uitspraak opkomen en een ander licht werpen op de zaak, kunnen niet tot herziening van de uitspraak leiden. Indien bijvoorbeeld door nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen blijkt, dat er wel degelijk een causaal verband bestaat tussen bepaalde arbeidsomstandigheden en een bepaalde ziekte, is dat geen reden die tot herziening kan leiden (Kamerstukken II, 1991/92, 22495, nr. 3, blz. 160).


1.4.

Bij de uitspraak van 23 maart 1998 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 1996 bevestigd. Bij die uitspraak is het beroep van verzoeker tegen het besluit van 16 februari 1994 van een rechtsvoorganger van het Uwv om verzoeker met ingang van 21 februari 1994 geen verdere uitkering krachtens de Ziektewet te verlenen ongegrond verklaard. De Raad heeft in zijn uitspraak overwogen dat de door de rechtbank geraadpleegde allergoloog A.C. van Quarles van Ufford op overtuigende wijze heeft aangetoond dat verzoeker met bij de hem bestaande rhinitis vasomotoria met regelmatig optredende exacerbaties per datum in geding niet meer ongeschikt was om zijn arbeid als docent geschiedenis bij The American School of The Hague te verrichten. Op grond van de beschikbare medische gegevens en nadere reacties inzake de arbeidsomstandigheden is in die uitspraak de door verzoeker gestelde aanwezigheid van het zogenoemde

sick-buildingsyndroom niet van bepalende betekenis geacht op grond van resultaten van een meeting, begin 1994 uitgevoerd, naar de luchtkwaliteit in het gebouw waar verzoeker destijds werkzaam was.


1.5.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is vastgesteld dat een groot deel van de stukken die verzoeker heeft ingebracht bij verzoeker en ook bij de Raad al bekend waren toen in 1998 op zijn hoger beroep werd beslist. Die stukken kunnen niet tot herziening van de uitspraak leiden, omdat daarmee niet is voldaan aan de eerste twee in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde voorwaarden.


1.6.

Verzoeker heeft ook stukken in het geding gebracht waarvan is vastgesteld dat deze tot stand zijn gekomen na 23 maart 1998. Verzoeker heeft betoogd dat inmiddels is gebleken dat de voor hem gestelde diagnose onvolledig is geweest, omdat hij leed aan hyperkinetische dysfonie en daarom destijds ongeschikt was om zijn arbeid als docent te verrichten. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij verwezen naar een brief van 22 oktober 2001 van de KNO-arts prof. dr. H.F. Mahieu. Uit die brief blijkt dat deze arts verzoeker voor de eerste maal heeft gezien op 16 oktober 2001 en toen heeft geconcludeerd dat bij verzoeker sprake was van klachten van dysfonie. Uit de eveneens door verzoeker overgelegde brief van prof. Mahieu van 15 november 2002 blijkt verder dat deze arts na voortgezet onderzoek geen antwoord kon geven op een vraag van mr. Groen of in het kader van de bevindingen bij

KNO-onderzoek “eventueel anders zou zijn beschikt over de arbeidsongeschiktheid van patiënt”.


1.7.

Verzoeker heeft voorts betoogd dat destijds onvoldoende gewicht is toegekend aan de luchtverontreiniging in en rond een gebouw als dat van The American School of The Hague, gelegen naast de Rijksstraatweg van Wassenaar naar Amsterdam. In dat verband heeft hij verwezen naar diverse na 23 maart 1998 verschenen wetenschappelijke publicaties over luchtwegaandoeningen bij kinderen, wonend nabij snelwegen. Dat er ook bij docenten problemen waren met de luchtkwaliteit in de school is ter zitting beaamd door de getuige Rodell. De getuige wist dat via het bestuur van de school maar heeft verder geen concrete informatie verstrekt. De verklaring van deze getuige kan dan ook niet leiden tot vaststelling van een feit in de zin van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.


1.8.

De in 1.6 en 1.7 vermelde gegevens zijn geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, omdat met die gegevens niet wordt voldaan aan de eerste in dat artikel gestelde voorwaarde voor herziening.


1.9.

Uit 1.2 tot en met 1.8 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.


2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) E. Heemsbergen




JS