Centrale Raad van Beroep, 20-10-2014 / 13-2512 WIA


ECLI:NL:CRVB:2014:3473

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding de daaruit getrokken conclusies ten aanzien van de belastbaarheid voor onjuist te houden. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn passend voor appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-20
Publicatiedatum
2014-10-30
Zaaknummer
13-2512 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2512 WIA

Datum uitspraak: 20 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 maart 2013, 12/5790 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Vreke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vreke. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN


1. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 1 februari 2012 vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 25 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 9 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Appellant stelt meer beperkingen te hebben dan vastgesteld door de verzekeringsartsen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellant meent dat zijn beperkingen onvoldoende zorgvuldig zijn onderzocht en onjuist zijn beoordeeld. Volgens appellant zijn die beperkingen vastgesteld op grond van enkel een gesprek, terwijl hij slecht Nederlands spreekt en daarom niet goed zijn klachten heeft kunnen verwoorden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is appellant daarbij niet bijgestaan door zijn echtgenote, die wel Nederlands spreekt, maar door een vriend, die net als appellant slecht Nederlands spreekt. Voorts heeft het Uwv ten onrechte volstaan met het beoordelen van de reeds voorhanden informatie en heeft het nagelaten de behandelend sector nadien te raadplegen. Ten slotte stelt appellant niet in staat te zijn de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen, omdat hij in deze functies onvoldoende de mogelijkheid krijgt om te vertreden.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onzorgvuldig of onvolledig te achten, dan wel de daaruit getrokken conclusies ten aanzien van de belastbaarheid voor onjuist te houden. Uit het rapport van het spreekuuronderzoek van 16 januari 2012 blijkt dat appellant bij het spreekuur van de verzekeringsarts werd vergezeld door zijn echtgenote. Voorts is het vaste rechtspraak dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op diens eigen medisch oordeel en dat raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene, of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerde afwijkende opvatting heeft over zijn beperkingen. Die situatie heeft zich ten aanzien van appellant niet voorgedaan, zodat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daartoe niet gehouden was. De verzekeringsarts heeft kennisgenomen van de inlichtingen van de behandelend cardioloog van 2 april 2010 en 29 juni 2011. De rechtbank heeft terecht verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts van 16 januari 2012 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 september 2012, waarin voldoende en deugdelijk gemotiveerd is uiteengezet welke beperkingen appellant ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarin overtuigend is gemotiveerd waarom de bezwaren van appellant tegen deze vaststelling niet slagen. De Raad ziet in het voorhanden materiaal geen enkele aanwijzing die ertoe zou kunnen leiden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet mocht volstaan met de beoordeling van de reeds voorhanden informatie.


4.2.

Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep medische informatie overgelegd die doet twijfelen aan het oordeel van de rechtbank omtrent de zorgvuldigheid en juistheid van de beoordelingen en conclusies waarop het Uwv zich heeft gebaseerd.


4.3.

De Raad oordeelt voorts dat, uitgaande van de juistheid van de FML, appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), en machinebediende inpak-, verpakkingsmachine (SBC-code 271093). In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 oktober 2012 is, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 31 januari 2012, inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant deze functies kan vervullen met inachtneming van zijn beperkingen. De grond van appellant dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen, omdat hij in deze functies onvoldoende de mogelijkheid krijgt om te vertreden, kan niet slagen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de beoordeling van de geselecteerde functies voldoende toegelicht dat deze functies de mogelijkheid bieden om tijdens de werkzaamheden zich te vertreden. Ook uit de formulieren Resultaat Functiebeoordeling blijkt van voldoende mogelijkheden om zich te vertreden.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2014.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) D.E.P.M. Bary




QH