Centrale Raad van Beroep, 21-10-2014 / 13-1547 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:3512

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Huurschuld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-21
Publicatiedatum
2014-10-30
Zaaknummer
13-1547 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1547 WWB

Datum uitspraak: 21 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2013, 12/2957 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Voor appellant is verschenen mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.2.

Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten verband houdend met een huurschuld van € 4.195,51 bij Rochdale afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 15 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f (lees: g), van de WWB in beginsel aan bijstandverlening voor de huurschuld in de weg staat en dat geen zeer dringende redenen bestaan voor verlening van bijzondere bijstand voor die schuld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. Tussen partijen is niet in geschil dat het voorgaande een beletsel vormt voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.


4.2.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB waarin de mogelijkheid is opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB bijzondere bijstand voor schulden te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid van verlening van bijstand in de vorm van borgtocht geen uitkomst biedt.


4.3.

Het college heeft de voorwaarden voor bijstandsverlening voor schulden en de invulling van het wettelijke begrip zeer dringende redenen als onder 4.2 genoemd, neergelegd - voor zover van belang - in hoofdstuk 9.8.1.1 van de beleidsvoorschriften van de Dienst Werk en Inkomen. Bijstandsverlening voor schulden is slechts mogelijk indien sprake is van bedreigende schuldsituaties. Het gaat dan om schulden die de eerste levensvoorwaarden bedreigen door verlies van de woning, afsluiting van energie of water en onverzekerd zijn voor ziekte.


4.4.

Vastgesteld wordt, zoals appellant ter zitting heeft bevestigd, dat in maart 2012 ontruiming van de woning van appellant heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake meer was van een dreigende huisuitzetting, zodat appellant niet voldeed aan de in het beleid neergelegde voorwaarden om voor bijstandsverlening in aanmerking te komen. Hierbij speelt geen rol dat, zoals appellant heeft aangevoerd, de huisuitzetting appellant niet (geheel) te verwijten valt.


4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het college zich terecht niet bevoegd heeft geacht om de gevraagde bijzondere bijstand aan appellant te verlenen.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2014.




(getekend) E.C.R. Schut



(getekend) T.A. Meijering



IJ