Centrale Raad van Beroep, 08-01-2015 / 13-1790 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:10

Inhoudsindicatie
Terugvordering en (deels) verrekening te veel ontvangen BWOO-uitkering. Nader besluit. De aan appellant verzonden brieven, het bestreden besluit en het besluit van 14 maart 2013 bevatten geen voldoende onderbouwing van het bedrag dat de minister van appellant heeft teruggevorderd. Dit geldt ook voor het bij de brief van 20 januari 2012 gevoegde overzicht, aangezien de minister ter zitting heeft erkend dat dit overzicht een onjuistheid bevat. Instandlating rechtsgevolgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-08
Publicatiedatum
2015-01-13
Zaaknummer
13-1790 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1790 AW, 13/3252 AW

Datum uitspraak: 8 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

21 februari 2013, 12/279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend, waaronder een besluit van 14 maart 2013 dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2014. Voor appellant is

mr. Van Dijk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.E. Holtrigter en H. Hendriks.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen het besluit van 14 maart 2013 nader te onderbouwen.

De minister heeft bij brief van 19 augustus 2014 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Appellant heeft bij brief van 20 oktober 2014 een uiteenzetting gegeven.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Van 1 juni 2006 tot en met 4 juni 2011 ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij brief van 20 juni 2006 heeft appellant KPMG gevraagd om herleving van zijn uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO). Bij deze brief heeft appellant twee betaalspecificaties van zijn WW-uitkering gevoegd over de periode van 29 mei 2006 tot en met 11 juni 2006 en van

12 juni 2006 tot en met 9 juli 2006. Met ingang van 1 juni 2006 is het recht op

BWOO-uitkering van appellant herleefd. Het BWOO wordt voor de minister uitgevoerd door KPMG Management Services (KPMG).


1.2.

Bij brief van 17 mei 2011 heeft KPMG appellant laten weten dat hij vanaf 1 juni 2006 geen uitkeringsspecificaties meer heeft opgestuurd, terwijl er wel jaarlijks een indexatie van de WW-uitkering plaatsvindt. Verzocht wordt deze uitkeringsspecificaties, normaal gesproken twee per jaar, alsnog toe te sturen. Appellant heeft de gevraagde specificaties bij e-mailbericht van 23 mei 2011 aan KPMG verstrekt.


1.3.

Bij e-mailbericht van 26 mei 2011 heeft KPMG appellant meegedeeld dat hij over de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2010 € 3.669,74 bruto te veel wachtgeld heeft ontvangen, dat de herberekening over de periode vanaf 1 januari 2010 nog moet plaatsvinden en dat appellant dit bedrag zal terugvinden op de specificatie van juni 2011.


1.4.

Bij besluit van 3 november 2011 heeft de minister de te veel ontvangen uitkering over de periode van juli 2006 tot en met december 2009 vastgesteld op € 3.421,40 en dit bedrag met toepassing van artikel 21 van het BWOO van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 januari 2012 heeft KPMG een toelichting gegeven op de openstaande vordering. Daarbij is vermeld dat appellant over de periode van

1 juni 2006 tot en met 31 mei 2011 € 8.806,49 te veel uitkering heeft ontvangen.


1.5.

KPMG heeft de onverschuldigd betaalde BWOO-uitkering deels verrekend met de

BWOO-uitkering. Daarnaast heeft appellant in termijnen een bedrag terugbetaald.


1.6.

Bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, de ingangsdatum van de periode waarover wordt teruggevorderd gesteld op 1 november 2006, het over de periode tot en met 31 december 2009 terug te vorderen bedrag gesteld op € 3.353,06 en meegedeeld dat de verrekening over de periode van januari 2010 tot 4 juni 2011 niet onrechtmatig is geweest.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dit ziet op de verrekening van de BWOO-uitkering over de periode van januari 2010 tot 4 juni 2011 en de minister opgedragen met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Volgens de rechtbank had appellant moeten begrijpen dat de hoogte van zijn WW-uitkering van invloed is op zijn BWOO-uitkering. Het is aan appellant toe te rekenen dat hij de minister niet heeft ingelicht over de wijzigingen in de hoogte van zijn WW-uitkering. Volgens de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot terugvordering over de periode november 2006 tot januari 2010. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat aan de verrekening, die heeft plaatsgevonden met betrekking tot te veel betaalde uitkering over de periode januari 2010 tot 4 juni 2011, geen herzieningsbesluit ten grondslag ligt. Daarom kan volgens de rechtbank de juistheid van de verrekening niet worden vastgesteld.


3.1.

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft de minister ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de te veel ontvangen BWOO-uitkering over de periode van januari 2010 tot en met mei 2011 vastgesteld op € 3.902,54 en meegedeeld dat wegens verrekening met de BWOO-uitkering geen vordering is ontstaan. Dit besluit wordt, gelet op het bepaalde in de

artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.


3.2.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak en het besluit van 14 maart 2013 aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat de terugvordering door zijn toedoen is ontstaan. Omdat de minister bekend moet zijn met de indexering van de WW-uitkeringen, is dit geen wijziging die appellant had moeten doorgeven. De minister heeft appellant evenmin bij de herleving van het recht op BWOO-uitkering over deze verplichting geïnformeerd. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat de hoogte van de terugvordering onvoldoende inzichtelijk is. Ter zitting is gebleken dat appellant de verrekening van het terug te vorderen bedrag met nabetalingen van BWOO-uitkering en verstrekte voorschotten niet bestrijdt.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het BWOO is ingetrokken per 1 januari 2014. Voor dit geding zijn van belang de bepalingen van het BWOO zoals deze tot die datum luidden.


4.2.

Op grond van artikel 11, aanhef en onder a, van het BWOO, voor zover van belang, was appellant verplicht op verzoek of uit eigen beweging onverwijld aan het uitvoeringsorgaan alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de hoogte van de uitkering. Inkomsten wegens loonderving worden op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van het BWOO geheel in mindering gebracht op de BWOO-uitkering. Gelet op deze bepaling had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat iedere verhoging van zijn WW-uitkering van invloed kon zijn op de hoogte van zijn BWOO-uitkering, zodat hij de minister daarover had moeten informeren. Deze verplichting geldt ook indien de verhoging een gevolg is van een wettelijke indexering van de WW-uitkering. Dat de minister op de hoogte kon zijn van de wettelijke indexering van WW-uitkeringen doet niet af aan de verplichting van appellant de minister te informeren over de gevolgen die deze indexering heeft voor de hoogte van zijn

WW-uitkering. Gelet op het voorgaande kon de minister ermee volstaan appellant te wijzen op het wijzigingsformulier waarmee van belang zijnde informatie kon worden doorgegeven, zoals in september 2006 is gebeurd. Deze beroepsgrond slaagt niet.


4.3.

Appellant heeft wel terecht aangevoerd dat de hoogte van terugvordering onvoldoende inzichtelijk is. De aan appellant verzonden brieven, het bestreden besluit en het besluit van 14 maart 2013 bevatten geen voldoende onderbouwing van het bedrag dat de minister van appellant heeft teruggevorderd. Dit geldt ook voor het bij de brief van 20 januari 2012 gevoegde overzicht, aangezien de minister ter zitting heeft erkend dat dit overzicht een onjuistheid bevat.


4.4.

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover de rechtbank daarbij de terugvordering over de periode van

1 november 2006 tot en met 31 december 2009 in stand heeft gelaten. Het beroep tegen het besluit van 14 maart 2013 is gegrond en dit besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.


4.5.

De Raad zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het besluit van 14 maart 2013 in stand te laten.


4.6.

Uit het bij de brief van 19 augustus 2014 gevoegde overzicht blijkt volgens de minister dat appellant over de in geding zijnde periode recht had op € 224,18 aan BWOO-uitkering terwijl hem € 8.806,49 is uitbetaald. Appellant heeft de juistheid van dit overzicht bestreden. Het betoog van appellant dat de minister van een onjuist bedrag aan uitbetaalde

BWOO-uitkering is uitgegaan, kan hem niet baten, omdat het (bruto) bedrag waarvan de minister uitgaat lager is dan het bedrag waar appellant op uitkomt. Het betoog van appellant dat de minister is uitgegaan van een onjuist bedrag aan door hem ontvangen WW-uitkering, heeft appellant niet onderbouwd met zijn bij de brief van 20 oktober 2014 gevoegde overzicht. In dit overzicht gaat appellant uit van een bedrag aan WW-uitkering over vier weken, terwijl de minister uitgaat van een bedrag aan WW-uitkering over een maand. De daglonen waarop de WW-uitkering in het overzicht van appellant is gebaseerd, zijn identiek aan de daglonen waarvan de minister in zijn overzicht is uitgegaan. De minister heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat appellant over de periode van 1 november 2006 tot en met mei 2011 (€ 8.806,49 - € 224,18 =) € 8.582,31 te veel BWOO-uitkering heeft ontvangen. Aangezien de minister bij het bestreden besluit en het besluit van 14 maart 2013 in totaal minder onverschuldigd betaalde BWOO-uitkering van appellant heeft teruggevorderd dan hem blijkens het overzicht bij de brief van 19 augustus 2014 te veel is betaald, is appellant met die terugvordering niet tekort gedaan. De rechtsgevolgen van beide besluiten zullen daarom in stand worden gelaten.


5. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor in hoger beroep verleend rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de terugvordering over de periode van

1 november 2006 tot en met 31 december 2009 in stand is gelaten;

- vernietigt het besluit van 9 maart 2012 in zijn geheel;

- vernietigt het besluit van 14 maart 2013;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,-

vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 974,-.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) B. Rikhof




HD