Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 13-6643 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1002

Inhoudsindicatie
Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-6643 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6643 WWB, 13/6756 WWB, 13/6817 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2013, 13/1551, 13/2460, 13/2646 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Seumeren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. E. van den Boogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Seumeren. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Van den Boogaard. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 25 oktober 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie van appellanten zijn kinderen geboren. Appellante stond sinds 24 juni 2005 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA; thans Basisregistratie Personen) op het adres [adres] te Diemen (uitkeringsadres). Appellant is vanaf 4 januari 2011 uitgeschreven uit de GBA van de gemeente Amsterdam onder de vermelding ‘vertrokken naar onbekend’.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip van 8 maart 2012 dat appellante al jaren samenwoont met de vader van haar jongste kind, heeft een handhavingsspecialist van het Team Sociale Zaken van de gemeente Diemen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer in de periode van 9 tot en met 23 maart 2012 waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en informatie ingewonnen bij de werkgever van appellant. Hieruit blijkt dat de loonstroken van appellant sinds januari 2010 aan het uitkeringsadres worden gezonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 12 april 2012. De Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek (sociale recherche) heeft vervolgens nader onderzoek verricht en in het kader daarvan onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties verricht, afschriften van de bankrekeningen van appellanten opgevraagd en op basis van de verkregen bankafschriften een financieel onderzoek verricht. Verder heeft de sociale recherche diverse buurtbewoners als getuigen gehoord en appellanten op 6 en 7 november 2012 verhoord. De bevindingen van het onderzoek heeft de sociale recherche neergelegd in een rapport van 28 november 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

4 december 2012 de bijstand van appellante met ingang van 25 oktober 2010 in te trekken. Bij besluit van 19 december 2012 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 25 oktober 2010 tot en met 30 september 2012 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 20.436,27 bruto en € 7.446,04 netto. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het college die kosten mede van appellant teruggevorderd.


1.4.

Bij besluiten van 20 februari 2013 en 15 april 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 4 en 19 december 2012 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat appellanten hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hebben gehad. In aanmerking genomen dat uit hun relatie kinderen zijn geboren, wordt een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen melding te maken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden betwist dat zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 25 oktober 2010 tot en met 30 september 2012.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.


4.4.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, is, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Gelet hierop kan een beoordeling van de wederzijdse zorg achterwege blijven en zullen de stellingen van appellanten dat zij geen zorg voor elkaar dragen, geen gezamenlijke verzekeringen of bankrekeningen hebben en hun financiën gescheiden houden, hier onbesproken blijven.


4.5.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.6.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellanten vanaf 25 oktober 2010 beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Daarbij komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die appellanten tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Appellant heeft verklaard dat hij de meeste nachten in de week bij appellante slaapt en soms bij vrienden slaapt als zij ruzie hebben. Hij heeft verder verklaard dat hij denkt dat hij vanaf januari 2010 met appellante samenwoont. Na confrontatie met de waarnemingen in juni, juli en augustus 2012 heeft appellant verklaard dat het klopt dat hij elke dag thuiskwam en vertrok van het uitkeringsadres. Hij mag in de woning van appellante van alles gebruik maken omdat hij daar woont. Appellante heeft verklaard dat appellant bij haar woont. Zij heeft verklaard dat zij met appellant samenwoont volgens de regels van de bijstandsuitkering sinds de lente van 2011. In september 2010 hadden zij ruzie en dan sliep appellant bij vrienden, maar hij kwam wel bij haar. De persoonlijke spullen van appellant liggen in haar woning. Ook na hun ruzie zijn zijn spullen daar blijven staan.


4.7.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat aan de verklaring van appellante geen waarde kan worden gehecht, omdat uit haar verklaring niet blijkt dat zij bekend is met de definitie van hoofdverblijf volgens de WWB. Ook appellant mag niet aan zijn verklaring worden gehouden omdat die onder druk is afgelegd.


4.7.2.

In het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring en komt weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken, ontkennen of nuanceren van een dergelijke verklaring. Anders dan appellanten hebben betoogd, bestaan in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dit uitgangspunt dient te worden gemaakt. Uit het verhoor van appellante blijkt dat de sociaal rechercheurs haar uitleg hebben gegeven over de bijstandsregelgeving. Appellante heeft verklaard dat zij ervan uitging dat zij niet samenwoonden omdat zij als hoofdbewoonster vrij is te beslissen wie er in en uit haar huis gaan. Zoals onder 4.5 is overwogen, zijn de concrete feiten en omstandigheden van belang bij de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, en niet alleen de vraag wie hoofdbewoner is van een woning. Appellante heeft verder concrete en gedetailleerde informatie verschaft over de woon- en leefsituatie van appellanten. Appellante heeft niet kenbaar gemaakt op welke concrete punten haar verklaringen over de woon- en leefsituatie van appellanten niet juist zijn en waarom. Appellant heeft eveneens concreet en gedetailleerd verklaard over de woon- en leefsituatie van appellanten. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd.


4.8.

De verklaringen van appellanten vinden bovendien steun in de verklaringen van meerdere buurtbewoners. Uit deze verklaringen volgt eenduidig dat op het uitkeringsadres een man, een vrouw en drie kinderen wonen en dat zij daar al een jaar of vier à vijf wonen. Appellant is aan de hand van een getoonde foto door deze buurtbewoners herkend als de man waarover zij spreken. Anders dan appellanten betogen, zijn de verklaringen van de buurtbewoners voldoende concreet en gedetailleerd. Zo hebben meerdere buurtbewoners verklaard dat appellant er regelmatig is, en zij dat zien aan de grijze sportfiets die dan met een slot aan het hek zit. Ook zien zij appellant regelmatig komen en gaan met de fiets, een van de kinderen

’s ochtends naar school brengen en zien de getuigen hem ook wel eens met een vuilniszak naar de container lopen. Naast deze verklaringen komt ook betekenis toe aan de waarnemingen in de maanden maart, juni, juli en augustus 2012, waarbij appellant steeds nabij het uitkeringsadres is gezien.


4.9.

De beroepsgrond dat uit de pintransacties van appellant is af te leiden dat hij geen hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante, slaagt niet. Uit deze pintransacties is weliswaar af te leiden dat hij een periode niet in de gemeente Diemen heeft gepind, maar deze enkele informatie is onvoldoende om aan te nemen dat hij geen hoofdverblijf in de woning van appellante zou hebben gehad. Te meer nu in diezelfde periode door appellant wel in de gemeente Amsterdam, wat een aangrenzende gemeente betreft, pintransacties zijn verricht.


4.10.

De beroepsgrond dat appellant veel bij appellante heeft verbleven, maar dat geen sprake is geweest van hoofdverblijf, omdat zijn verblijf bij appellante verband hield met de zwangerschap van appellante en de zorg voor de kinderen, terwijl het hebben van een hoofdverblijf van appellant bij appellante bovendien niet eigen is in de Antilliaanse cultuur, slaagt evenmin. Bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie immers niet van belang.


4.11.

Uit 4.4 tot en met 4.10 volgt dat appellanten in de te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden en dus in die periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.


4.12.

Nu appellante van de gezamenlijke huishouding geen melding heeft gemaakt bij het college, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden en is aan haar ten onrechte bijstand verleend. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen van appellante. Aangezien hiermee gegeven is dat appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB, was het college tevens bevoegd met toepassing van die bepaling de ten onrechte verstrekte bijstand mede van appellant terug te vorderen.


4.13.

Het betoog van appellant dat het college bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot medeterugvordering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het college ten tijde van de toekenning van de bijstand aan appellante reeds op de hoogte had kunnen zijn van de gezamenlijke huishouding, kan niet worden gevolgd. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat op dat moment onvoldoende aanleiding bestond de door appellante opgegeven woon- en leefsituatie voor onjuist te houden. Aangezien het onderzoek in 2012 heeft uitgewezen dat de oorspronkelijke opgave van appellante onjuist was, was het college bevoegd tot medeterugvordering en bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.14.

De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraken;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M.I. ‘t Hooft en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.M.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.A.M.V. van Kleef




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.




MK