Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 13-2022 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1003

Inhoudsindicatie
Het nader onderzoek door het IBF levert afzonderlijk en in samenhang bezien met het eerdere onderzoek, niet – alsnog – een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellant de eigenaar is van de woning in Marokko.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-2022 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NJB 2015/777
  • USZ 2015/161 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Uitspraak

13/2022 WWB, 13/2023 WWB, 14/5721 WWB

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

7 maart 2013, 12/1850 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2059, een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb nader onderzoek gedaan en bij besluit van 13 oktober 2014 (nader besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (college), de Raad begrijpt onder verwijzing naar de tussenuitspraak dat het daar genoemde mandaats- en bekrachtigingsbesluit van de Svb zich ook uitstrekt tot dit besluit, de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 5 oktober 2011 ongegrond verklaard. In het navolgende wordt het college telkens met Svb aangeduid.

Bij brief van 10 december 2014 heeft mr. N. Menouar, advocaat, namens appellanten een reactie op het nader besluit en nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting waarna het onderzoek ter zitting is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat, verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 17 juni 2014. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad, samengevat, overwogen dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat met die bevindingen is komen vast te staan dat appellanten een woning op het adres [adres] te [X.] (woning) in Marokko bezitten. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat dit standpunt van de Svb is gebaseerd op een tweetal verklaringen van de bevoegde Cheikh, terwijl onvoldoende duidelijk is waarop die Cheikh zijn wetenschap heeft gebaseerd. Tevens is gebleken dat de onderhavige onroerende zaak in het kadaster staat ingeschreven op naam van een derde persoon. Onduidelijk is gebleven wie deze derde persoon is. Verder is onduidelijk waarop de genoemde GPS-coördinaten zijn gebaseerd en blijkt niet van een bezoek aan de woning noch van een onderzoek in de omgeving van de woning. Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust evenmin op een deugdelijke motivering. De Raad heeft de Svb opgedragen het gebrek te herstellen en de Svb in de gelegenheid gesteld een nader onderzoek te verrichten naar de vraag of appellanten eigenaar zijn van de woning in Marokko.


1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb bij het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzocht een nader onderzoek te doen naar onroerende zaken van appellanten in Marokko. Het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat heeft voor het IBF onderzoek gedaan in Marokko, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 8 september 2014. Hieruit blijkt dat twee medewerkers van de ambassade op 7 augustus 2014 een bezoek hebben gebracht aan de plaatselijke autoriteiten van het tweede arrondissement van [X.]. Een moquaddem heeft tijdens dit bezoek verklaard dat de Cheikh die eerder informatie over de woning had gegeven met pensioen is, en heeft verder net als deze Cheikh verklaard dat appellant vanaf 1983 eigenaar van de woning is. De moquaddem heeft over zijn redenen van wetenschap onder meer verklaard dat het tot zijn taak behoort om informatie te vergaren over de inwoners van zijn wijk omdat deze informatie nodig is voor diverse officiële verklaringen, zoals een woonverklaring. Hij heeft de man op de foto herkend en verder onder andere verklaard dat deze man enkele maanden geleden bij hem langs is geweest voor een woonverklaring en toen gezegd zou hebben problemen te hebben omdat hij de eigenaar van de woning is. De medewerkers van de ambassade hebben vervolgens het adres van de woning bezocht en aldaar de GPS-coördinaten vastgesteld. Vervolgens hebben de medewerkers een buurtonderzoek verricht. Vijf omwonenden hebben verklaard dat de woning van appellant is, omdat hij daar al tientallen jaren woont. Geen van de omwonenden was bereid een getekende verklaring af te geven. Uit de rapportage blijkt verder dat het Kadaster momenteel geen informatie verstrekt aan het Bureau Sociale Zaken.


2. Bij nader besluit heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van

5 oktober 2011 (opnieuw) ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de Svb, samengevat, geconcludeerd dat het nader onderzoek bevestigt dat appellant sinds 1983 eigenaar is van de woning. Daarbij acht de Svb van belang dat de (nieuwe) Cheikh, de Raad begrijpt de moquaddem, melding maakt van zijn redenen van wetenschap, waaronder het gegeven dat appellant recentelijk bij hem is gekomen en verklaarde problemen te hebben doordat hij eigenaar van de woning is. Ook het buurtonderzoek bevestigt dat appellant de eigenaar van de woning is. Dat het Kadaster geen informatie wil verstrekken dient niet voor riscio van de Svb te komen, te meer nu appellant wel aan kadastergegevens kan komen.


2.1.

De Raad zal het nader besluit met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.


3. Appellanten hebben in reactie op het nader besluit, samengevat, volhard in hun betwisting dat appellant de eigenaar is van de woning in Marokko. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat sprake moet zijn van een persoonsverwisseling met zijn zoon [C.]. Appellanten hebben naast de eerder overgelegde rekeningen van de energieleverantie aan de woning op naam van [C.], verschillende belastingaanslagen op naam van [C.] en ook een verblijfsbewijs op naam van [C.] afgegeven door de Kaïd, Chef Administratief van het tweede stedelijke arrondissement te [X.], inhoudende dat hij momenteel woont op het adres van de woning, overgelegd.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op de Svb rust.


4.2.

Vaststaat dat uit informatie van het Kadaster is gebleken dat de woning op naam van een derde staat ingeschreven. Zoals reeds in de tussenuitspraak is overwogen betekent de omstandigheid dat inschrijving in het kadaster in Marokko niet verplicht is niet dat daarmee aan een inschrijving geen waarde kan worden toegekend. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd, is volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6528 en van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0817) de vooronderstelling immers gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In dit geval betekent dit dus dat de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat een niet nader genoemde derde over de woning beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Anders dan de Svb in haar besluit heeft aangegeven komt de omstandigheid dat het Kadaster momenteel geen nadere informatie wil verstrekken aan het Bureau Sociale Zaken, niet voor risico van appellanten. Het gaat immers zoals in 4.1 is vermeld om een belastend besluit, waarbij de bewijslast op de Svb rust. Uit de in 1.2 genoemde rapportage blijkt dat onduidelijk is gebleven wie deze derde persoon is.


4.3.

Appellanten hebben reeds in bezwaar gesteld dat hun zoon [C.] de eigenaar is van de woning in Marokko en daartoe onder andere de in 3 genoemde rekeningen van de energieleverantie aan de woning op zijn naam overgelegd. Uit de in 1.2 genoemde rapportage blijkt niet dat het gegeven dat de energieleverantie aan de woning op naam van de zoon van appellanten staat bij het onderzoek is betrokken. De moquaddem heeft over zijn redenen van wetenschap onder meer verklaard dat hij de man op de hem getoonde foto herkent. Uit de rapportage blijkt echter niet welke foto aan de moquaddem is getoond. Dat sprake zou kunnen zijn van een persoonsverwisseling door de moquaddem, hebben appellanten in hoger beroep nader onderbouwd met een aan hun zoon [C.] afgegeven woonverklaring. Nu de moquaddem over de redenen van zijn wetenschap verder heeft verklaard dat de eigenaar van de woning enkele maanden geleden bij hem is langs geweest voor een woonverklaring, hebben appellanten de door hen gestelde persoonsverwisseling aannemelijk gemaakt.


4.4.

Gelet op 4.3 en 4.4 levert het nader onderzoek door het IBF afzonderlijk en in samenhang bezien met het eerdere onderzoek, niet – alsnog – een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellant de eigenaar is van de woning in Marokko.


4.5.

Nu de Svb het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft kunnen herstellen en niet aannemelijk is dat een dergelijk herstel alsnog mogelijk is, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb het besluit van

5 oktober 2011 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 maart 2012 (bestreden besluit). Tevens zal de Raad het nader besluit vernietigen aangezien aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het besluit van 12 maart 2012.


4.6.

De Raad komt op grond van wat in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen tot de hieronder vermelde beslissing.


5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in bezwaar (een punt voor het bezwaarschrift en een punt voor de hoorzitting), beroep (een punt voor het beroepschrift en een punt voor de zitting) en hoger beroep (een punt voor het hoger beroepschrift, een punt voor de zitting en een half punt voor de zienswijze en een punt voor de nadere hoorzitting), in totaal begroot op € 3.675,-.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 12 maart 2012 gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 12 maart 2012;
  • - herroept het besluit van 5 oktober 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 12 maart 2012;

  • - vernietigt het besluit van 13 oktober 2014;
  • - veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 3.675,-;
  • - bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) A.C. Oomkens





MK