Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 13-6213 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1004

Inhoudsindicatie
De gedragingen van appellante leverden een objectieve dringende reden op voor ontslag. De persoonlijke omstandigheden van appellante leiden niet tot een ander oordeel. Uit de reactie van de werkgever op de gedragingen van appellante blijkt dat deze gedragingen voor de werkgever een dringende reden vormden om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het Uwv heeft terecht aangenomen dat aan de werkloosheid van appellante een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag lag. Appellante is verwijtbaar werkloos geworden. Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken, zodat het Uwv de WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-6213 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/6213 WW

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2013, 12/3855 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Namens appellante is verschenen mr. A.R. Sitaldin, kantoorgenoot van mr. Dayala. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 15 november 2010 werkzaam als Projectsecretaresse op de afdeling Projectondersteuning bij Projecten van Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer van de gemeente Amsterdam (werkgever).


1.2.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college) appellante voorwaardelijk strafontslag verleend met een proeftijd van een jaar. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door zich niet te houden aan de regels over ziekteverzuim en door, tijdens haar ziekte, zonder overleg met de leidinggevende een maand naar Suriname te gaan in de periode maart/april 2011.


1.3.

Appellante heeft een verlofaanvraag ingediend voor de periode van 25 juli 2011 tot en met 31 augustus 2011. Bij brief van 7 juli 2011 heeft haar leidinggevende deze aanvraag afgewezen wegens een ontoereikend verlofsaldo en appellante te kennen gegeven dat zij in de aangevraagde periode maximaal drieënhalve week aaneengesloten met vakantie kan gaan. Bij brief van 21 juli 2011 heeft de gemachtigde van appellante aan de leidinggevende van appellante te kennen gegeven dat appellante zich niet kan verenigen met de brief van

7 juli 2011. Hij heeft toegelicht dat de verlofaanvraag van appellante al tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek in oktober 2010 was goedgekeurd, als gevolg waarvan appellante de tickets voor een vakantie naar Suriname al geruime tijd geleden heeft geboekt en dat zij de data niet kan wijzigen zonder hoge kosten te moeten maken. Bij brief van 22 juli 2011 heeft de directeur van de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer het verlofverzoek van appellante nogmaals afgewezen. Daarbij is meegedeeld dat, mocht appellante zonder toestemming op vakantie gaan en/of langer wegblijven dan de dagen waarop zij recht heeft, passende maatregelen getroffen zullen worden.


1.4.

Appellante is op 18 augustus 2011, drieënhalve week na 25 juli 2011, niet verschenen op het werk. Haar direct leidinggevende heeft op die dag tevergeefs getracht telefonisch contact met appellante te krijgen. Nadat appellante ook op 19 augustus 2011 niet op het werk was verschenen heeft het college appellante bij brief van 19 augustus 2011 meegedeeld dat het voornemen bestaat om haar wegens plichtsverzuim, bestaande uit het ongeoorloofd afwezig zijn, de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Appellante is niet verschenen op het zienswijzegesprek op 5 september 2011. Bij besluit van 15 september 2011 heeft het college appellante wegens plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het ontslagbesluit is met de uitspraak van de Raad van 26 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2188) in rechte onaantastbaar geworden.

1.5.

Appellante heeft op 6 oktober 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 14 september 2011 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Bij besluit van 22 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 oktober 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de werkloosheid van appellante een dringende reden ten grondslag ligt en dat appellante daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante, gelet op de aan haar verstuurde brieven van 7 juli 2011 en 22 juli 2011, vanaf 18 augustus 2011 ongeoorloofd afwezig was en dat zij er in de brief van 22 juli 2011 op gewezen was dat passende maatregelen genomen zouden worden als zij zonder toestemming op vakantie zou gaan en/of langer zou wegblijven dan de dagen waarop zij recht had.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen van appellante, in samenhang bezien, objectief bezien een dringende reden vormen voor een onmiddellijke beëindiging van de aanstelling van appellante.


3. In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij zonder toestemming van de werkgever op vakantie is gegaan (en dus ongeoorloofd afwezig was), nu zij gemotiveerd heeft aangetoond dat zij bij het aanvaarden van de functie per 15 november 2010 had bedongen dat zij in de betreffende periode op vakantie mocht gaan.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor een weergave van het wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 van de aangevallen uitspraak.


4.2.

Gezien de tegen de aangevallen uitspraak door appellante aangevoerde gronden ligt in hoger beroep de vraag voor of aan het ontslag van appellante een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Daarvoor is het volgende van belang.


4.3.

Appellante heeft een verlofaanvraag ingediend voor de periode van 25 juli 2011 tot en met 31 augustus 2011. Haar werkgever heeft bij brieven van 7 juli 2011 en 22 juli 2011 deze verlofaanvraag wegens ontoereikend verlofsaldo uitdrukkelijk afgewezen, appellante meegedeeld dat zij in de aangevraagde periode maximaal drieënhalve week aaneengesloten met vakantie kon gaan en appellante er, in de brief van 22 juli 2011, op gewezen dat, mocht zij zonder toestemming op vakantie gaan en/of langer wegblijven dan de dagen waarop zij recht heeft, passende maatregelen getroffen zullen worden. Desondanks is appellante op

25 juli 2011 naar Suriname vertrokken en drieënhalve week later, vanaf 18 augustus 2011, niet op het werk verschenen. Het betoog van appellante dat de werkgever tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek in oktober 2010 de toezegging heeft gedaan dat zij in de betreffende periode op vakantie mocht gaan slaagt niet, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat tijdens dat arbeidsvoorwaardengesprek ook is gesproken over de lengte van de voorgenomen vakantie in de zomer van 2011 dan wel over de specifieke data.


4.4.

De gedragingen van appellante leverden een objectieve dringende reden op voor ontslag. De persoonlijke omstandigheden van appellante leiden niet tot een ander oordeel. Uit de reactie van de werkgever op de gedragingen van appellante blijkt dat deze gedragingen voor de werkgever een dringende reden vormden om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat aan de werkloosheid van appellante een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag lag. Appellante is verwijtbaar werkloos geworden. Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken, zodat het Uwv de WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.


4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente.


6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.



(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) J.C. Hoogendoorn



GdJ