Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 13-5564 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1005

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-5564 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5564 ZW

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 september 2013, 12/4964 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. van Paridon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N. Roos, kantoorgenoot van mr. Van Paridon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich op 25 april 2012 ziek gemeld vanwege rugklachten en urologische klachten. Appellant is in dat verband gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Na verkregen informatie van de huisarts en de uroloog heeft de verzekeringsarts, mede op grond van zijn eigen bevindingen, appellant per 9 augustus 2012 hersteld verklaard. Bij besluit van

8 augustus 2012 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) per 9 augustus 2012 beëindigd.


1.2.

Bij besluit van 22 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 augustus 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het bestreden besluit doen berusten op het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 oktober 2012.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv bij zijn beoordeling ten onrechte de functie van industrieel reiniger als maatstaf arbeid heeft gehanteerd. Als maatstaf arbeid dient te worden uitgegaan van het laatstelijk, voor uitval, door appellant verrichte arbeid. Uit een nader onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

12 juni 2013, blijkt dat appellant in de maanden voorafgaand aan zijn eerste ziektedag wisselend heeft gewerkt in de functies van buitenwacht, industrieel schoonmaker, persluchtmedewerker en hogedrukreiniger. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellant laatstelijk voornamelijk gewerkt als buitenwacht en dient deze functie als maatstaf in de zin van de ZW te worden gehanteerd. In deze functie wordt de fysieke belasting volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voornamelijk bepaald door staan en zitten. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij weliswaar uitgezonden werd in de functie van buitenwacht maar feitelijk werkzaamheden met een hogedrukspuit heeft verricht. Op grond van de in beroep overgelegde rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juni 2013, waarin is gesteld dat de arbeid van buitenwacht een aanzienlijk lagere rugbelasting kent dan die van hogedrukreiniger, is er naar het oordeel van de rechtbank, in samenhang met het eerdere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 oktober 2012, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de klachten die appellant ondervindt niet in de weg staan aan de door hem uit te voeren werkzaamheden van buitenwacht. De rechtbank heeft ten slotte geen aanleiding gezien een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen, zoals door appellant verzocht.


3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. In hoger beroep heeft appellant dat wat hij in beroep heeft aangevoerd gehandhaafd. Appellant benadrukt in hoger beroep dat hij wegens ziekte niet in staat is om arbeid te verrichten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn aandoeningen van dusdanige aard zijn dat deze een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gevaar voor zichzelf of zijn collega’s oplevert indien hij aan het werk gaat. Daaraan heeft hij toegevoegd dat de rechtbank ten onrechte geen tegenonderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige heeft laten verrichten. Het uitvoeren van een dergelijk onderzoek was volgens appellant noodzakelijk nu vast staat dat hij ernstige klachten heeft. De rechtbank heeft volgens hem in strijd met het beginsel van “equality of arms” conform artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gehandeld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dient ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid te worden verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.


4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven.


4.3.

Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe gegevens heeft ingebracht die reden vormen om de conclusies van de verzekeringsartsen, neergelegd in de rapporten van 9 augustus 2012, 22 oktober 2012 en 17 juni 2013, dan wel het oordeel van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 juni 2013, in twijfel te trekken, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.


4.4.

Uit het voorgaande volgt dat ook de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Daarbij overweegt de Raad nog, naar aanleiding van hetgeen daarover van de zijde van appellant is aangevoerd, dat in onderhavige zaak geen sprake is van schending van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde beginsel van een eerlijk proces dan wel van schending van het - eveneens in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde - beginsel van equality of arms. De Raad verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 24 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG9468, en de in die uitspraak vermelde rechtspraak. Indien de stukken ertoe aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid en de conclusie van het Uwv kan de rechtbank dan wel de Raad zelf een deskundige benoemen. Appellant heeft in beroep noch in hoger beroep medische gegevens in geding gebracht die nopen tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige.


4.5.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) K. de Jong





NK