Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 13-4953 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1006

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-4953 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4953 ZW

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

30 juli 2013, 13/217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A.M. Broos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 23 september 2013 heeft mr. Broos aangegeven niet langer als gemachtigde op te treden en verzocht de correspondentie aan appellante persoonlijk te richten.

Bij brief van 17 oktober 2013 heeft appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds september 2010 werkzaam als chauffeuse van een taxibusje voor

18 uur per week. Zij heeft zich op 30 maart 2011 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Nadien ook schouderklachten. Het dienstverband is per 1 augustus 2011 beëindigd.


1.2.

Appellante is twee maal gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Na het laatste spreekuur op 29 oktober 2012 is de verzekeringsarts op grond van dossierstudie en zijn eigen bevindingen tot de conclusie gekomen dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat appellante voldoende belastbaar is om weer in haar maatgevende arbeid te hervatten. Bij besluit van 31 oktober 2012 is appellante met ingang van 1 november 2012 hersteld verklaard en is haar uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per die datum beëindigd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 december 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2012 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 december 2012 ten grondslag gelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, geen reden gezien om het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden of om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de beide verzekeringsartsen appellante hebben gezien en bij hun oordeel alle voorhanden zijnde medische informatie hebben betrokken. De rechtbank heeft in haar uitspraak aandacht besteed aan de door appellante in beroep overgelegde medische informatie.


3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij vanwege haar schouderklachten en psychische klachten haar werk als taxichauffeuse niet naar behoren kan uitvoeren en zij sinds januari 2013 opnieuw onder behandeling is voor haar psychische klachten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dient ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid te worden verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.


4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het ten aanzien van appellante verrichte medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Appellante is zowel door de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep lichamelijk en psychisch onderzocht. Daarbij hadden de artsen de informatie van Pro Persona tot hun beschikking. Op grond van alle dossiergegevens alsmede de bevindingen uit zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 december 2012 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellante, ondanks haar (lichamelijke) klachten dan wel beperkingen, geschikt is te achten voor haar arbeid. In de rapporten van 16 mei 2013, 29 mei 2013 en 10 juli 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog gereageerd op de in beroep overgelegde medische gegevens, waaronder informatie van de huisarts, Pro Persona, de fysiotherapeut en een orthopedisch chirurg, en eveneens overtuigend gemotiveerd waarom deze stukken hem geen aanleiding geven tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in zijn conclusie te volgen.


4.3.

Appellante heeft in hoger beroep geen nadere medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat op de datum in geding, 1 november 2012, sprake was van zodanige fysieke dan wel psychische beperkingen, dat deze haar beletten haar eigen arbeid te verrichten.


5. Hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.






















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) K. de Jong





NK