Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 12-6206 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1007

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
12-6206 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR.nl 2015-0037
  • SZR-Updates.nl 2015-0037
Uitspraak

12/6206 WIA

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

12 oktober 2012, 12/881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.J. Pieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens zijn door haar nadere medische stukken ingestuurd, waaronder een rapport van een psycholoog en een klinisch psycholoog van 5 november 2012 en van een psychiater van 23 juli 2014.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een verzekeringsgeneeskundig rapport ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als administratief medewerkster. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft zij zich in oktober 2009 met psychische klachten ziek gemeld bij het Uwv. In het kader van een re-integratietraject heeft appellante een opleiding sociaaljuridische dienstverlening (MBO-SJD) gevolgd. In de ‘Bijstelling plan van aanpak’ van 1 juli 2011 heeft de re-integratiebegeleider vastgelegd dat appellante niet op 1 juli 2011, maar op 1 september 2011 geschikt wordt geacht voor de arbeidsmarkt, omdat haar stageperiode pas per die datum is beëindigd. Appellante is op

27 september 2011 betrokken geweest bij een kettingbotsing. Hierdoor heeft zij zich met pijnklachten van de linker lichaamshelft en het hoofd alsmede hersenschuddingklachten opnieuw ziek gemeld. In dat verband heeft zij op 7 november 2011 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht.


1.2.

Eveneens op 7 november 2011 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Zij is daartoe op

21 november 2011 door een verzekeringsarts op het spreekuur gezien. Deze arts heeft appellante beperkt geacht op de punten aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden en heeft die beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op 9 december 2011 heeft een arbeidsdeskundige een rapport over appellante uitgebracht waarbij appellante ongeschikt is geacht voor haar maatman van administratief medewerker. Op grond van een drietal voorbeeldfuncties heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 27,91%.


1.3.

Bij besluit van 9 december 2011 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 24 november 2011 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft tegen het besluit van 9 december 2011 bezwaar gemaakt. Daartoe heeft zij een rapport van een psycholoog en re-integratietherapeut van

27 november 2011 ingebracht. Mede naar aanleiding daarvan heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de FML van 21 november 2011 aangescherpt en een nieuwe FML van 5 maart 2012 opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat ondanks die aanscherpingen de eerder geselecteerde functies nog steeds passend zijn voor appellante. Bij besluit van 30 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 december 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld geen aanleiding te hebben gezien voor twijfel aan het verzekeringsgeneeskundig oordeel en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit het door appellante ingebrachte rapport van een neuroloog niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep essentiële aspecten met betrekking tot de aandoening van appellante heeft gemist. De rechtbank heeft vervolgens de vastgestelde belastbaarheid van appellante in de FML van 5 maart 2012 juist geacht. Uitgaande van de juistheid van de FML is de rechtbank van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht om de voor haar geselecteerde functies te verrichten en dat haar verlies aan verdienvermogen minder dan 35% bedraagt. Op grond daarvan heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellante met ingang van 24 november 2011 in aanmerking te brengen voor een

WIA-uitkering.


3. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere ingenomen standpunten in essentie herhaald en naar voren gebracht dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of het medische onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende consistent en reproduceerbaar is. Volgens appellante komen de bevindingen met betrekking tot haar vermoeidheidsklachten niet overeen met de bevindingen van de psycholoog in het rapport van 27 november 2011 en lijdt zij aan een ernstige depressie. Bovendien heeft de verzekeringsarts zich niet aan het zogenoemde Whiplashprotocol gehouden. Volgens appellante is het medische onderzoek onzorgvuldig geweest, omdat zij op grond van de door haar ingebrachte stukken in medisch opzicht een beredeneerd afwijkend oordeel met betrekking tot haar gezondheidstoestand heeft gegeven waardoor de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op het eigen oordeel mocht varen. Wat betreft de voorbeeldfuncties heeft appellante herhaald dat zij niet in staat is om gemiddeld ongeveer zes uur per dag te werken en dat zij de functie van postbesteller niet kan verrichten, omdat haar medicijnen de rijvaardigheid beïnvloeden. Bovendien is er volgens appellante sprake van een maatmanwisseling, omdat zij met een omscholing tot sociaaljuridisch medewerker bezig was. Tot slot heeft appellante naar voren gebracht dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het evenredigheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Wat in hoger beroep door appellante is aangevoerd is geen reden om het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De overwegingen van de rechtbank die aan dat oordeel ten grondslag liggen, worden onderschreven alsmede haar overweging inzake het Verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II.


4.2.

Het standpunt van appellante dat het medische onderzoek onvoldoende consistent en reproduceerbaar is, wordt niet onderschreven. De bevindingen zoals deze zijn beschreven in het psychologische rapport van 27 november 2011 zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 5 maart 2012 meegewogen met als gemotiveerd resultaat dat voor appellante in de rubrieken 1 en 2 van de FML van 5 maart 2012 ook beperkingen zijn aangenomen. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank over de aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juni 2012 en

14 september 2012. In deze rapporten is inzichtelijk en voldoende gemotiveerd uiteengezet dat bij appellante op de datum hier in geding van 24 november 2011 geen medisch objectiveerbare afwijkingen zijn vastgesteld waardoor haar klachten niet één op één kunnen worden vertaald in medische beperkingen.


4.3.

De bevindingen van de psycholoog en klinisch psycholoog zoals vermeld in het rapport van 5 november 2012 zien daarentegen op een situatie van bijna één jaar na de datum in geding. Bovendien hebben deze psychologen, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt in haar rapport van 8 februari 2013, geen cognitieve stoornissen bij appellante kunnen objectiveren. In het psychiatrische rapport van 23 juli 2014 is wel een psychiatrisch ziektebeeld beschreven dat om behandeling vraagt, maar uit dit rapport is evenmin af te leiden dat de toestand van appellante in november 2011 gelijk was aan de toestand die door de psychiater bij zijn onderzoek in april 2014 is waargenomen. Het rapport, dat op verzoek van het Uwv is uitgebracht in verband met een latere ziekmelding van appellante, kan appellante in deze zaak dus niet baten.


4.4.

Er bestaat evenmin aanleiding voor een ander oordeel over de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 27 maart 2012 geconcludeerd dat appellante gezien de vastgestelde belastbaarheid en de geconstateerde belasting geschikt is te achten voor de geselecteerde functies. Het standpunt van appellante dat zij vanwege haar medicijngebruik niet in staat is om de functie van postbesteller te verrichten, wordt niet gevolgd nu uit het ingebrachte huisartsenjournaal van 2 februari 2015 blijkt dat appellante op de datum in geding geen Diazepam meer gebruikte. De stelling dat zij diezelfde functie ook niet kan verrichten vanwege haar nek- en angstklachten mist een gemotiveerde medische onderbouwing.


4.5.

Met betrekking tot de gestelde maatmanwisseling wordt - onder verwijzing naar vaste rechtspraak, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:2966 - het standpunt van het Uwv onderschreven dat de maatman juist is vastgesteld omdat in november 2011 geen sprake was van een door appellante afgeronde MBO-SJD opleiding.


5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv bij het bestreden besluit voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellante en dat het onderzoek voldoende zorgvuldig en goed gemotiveerd is waardoor het beroep van appellante op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen doel kan treffen. Het hoger beroep kan niet slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.









BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) V. van Rij





NK