Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 13-5424 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1008

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-5424 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5424 ZW

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

27 augustus 2013, 13/401 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Jong, rechtshulpverlener CNV Vakmensen, hoger beroep ingesteld.

Nadien heeft mr. de Jong zich teruggetrokken als gemachtigde.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Appellant is niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 13 oktober 2011 uitgevallen voor zijn werk als schilder wegens psychische klachten. Appellant heeft zich onder behandeling gesteld bij GGZ Drenthe. In oktober 2012 is die behandeling beëindigd. Op 12 februari 2013 is appellant gezien door een verzekeringsarts, die vervolgens tot de conclusie komt dat appellant weer in staat is zijn maatgevende arbeid van schilder te verrichten. Dienovereenkomstig heeft het Uwv het recht op ziekengeld van appellant bij besluit van 12 februari 2013 met ingang van 18 februari 2013 beëindigd.


1.2.

Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 februari 2013 bij besluit van 8 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen kennis hebben genomen van de door GGZ Drenthe verstrekte informatie, waaruit blijkt dat sprake is van een eenmalige depressieve episode. Uit die informatie blijkt niet dat appellant zijn werkzaamheden niet zou kunnen verrichten. Het Uwv heeft op grond van de verzekeringskundige rapporten kunnen besluiten tot beëindiging van het ziekengeld.


3. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gronden aangevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn gebaseerd op zorgvuldige onderzoeken en vormen een voldoende medische grondslag voor het oordeel dat appellant per 18 februari 2013 niet langer ongeschikt was voor zijn werkzaamheden als schilder. Weliswaar blijkt uit die rapporten dat appellant een kwetsbaar persoon is met grote financiële problemen, maar die omstandigheden impliceren niet dat appellant niet in staat zou zijn zijn werkzaamheden als schilder te verrichten. Dat appellant zich na het nemen van het bestreden besluit opnieuw bij de GGZ Drenthe onder behandeling heeft gesteld, kan aan dat oordeel ook niet afdoen, nu de informatie van de GGZ Drenthe, zoals die verwoord is in de brief van

3 juli 2013, daar geen aanleiding toe geeft.


4.2.

Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) E.W. Akkerman




(getekend) K. de Jong





NK