Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 13-5583 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1009

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-5583 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5583 ZW

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 september 2013, 12/3104 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Burgers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nog een medisch rapport ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Burgers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Roele.

OVERWEGINGEN


1.1.

Na eerdere ziekteperioden heeft appellant zich op 1 januari 2012 ziek gemeld wegens psychische klachten. Appellant was toen werkzaam als tekstschrijver bij een

re-integratiebedrijf. Op 14 september 2012 is appellant op het spreekuur van de verzekeringsarts verschenen. Deze arts is tot de conclusie gekomen, mede ook op basis van informatie van de behandelend sector, dat appellant weer in staat was zijn werkzaamheden als tekstschrijver te verrichten. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 14 september 2012 beslist dat appellant met ingang van 20 september 2012 geen recht op ziekengeld meer heeft.


1.2.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Appellant is vervolgens op

7 november 2012 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien. Die arts heeft appellant vervolgens doen onderzoeken door de psycholoog N.M. Lijftogt. Die komt in haar rapport van 4 december 2012 tot de conclusie dat appellant in zijn beroepsmatig functioneren beperkingen ondervindt ten aanzien van dwingend werktempo, conflicthantering, werken in teamverband en afbreukrisico. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt vervolgens in zijn rapport van 7 december 2012 tot de conclusie dat appellant, uitgaande van deze beperkingen, in staat moet zijn, zijn maatgevende arbeid van tekstschrijver te verrichten.


1.3.

Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 10 december 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit 14 september 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de rapporten van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Er is rekening gehouden met de informatie van de behandelend psychiater en er is op verzoek van het Uwv een psychodiagnostisch onderzoek verricht door psycholoog Lijftogt. Met de belastbaarheid van appellant is voldoende rekening gehouden bij het nemen van het bestreden besluit.


3. In hoger beroep heeft appellant gewezen op het standpunt van behandelend psychiater

R.B. Houtman, die appellant op 8 augustus 2012 nog niet geschikt acht om behandeld te worden. Er is sprake van te veel stress. Ook acht hij appellant op dat moment niet tot beperkt belastbaar. Ook heeft appellant betoogd dat hij, gelet op de door psycholoog genoemde beperkingen, zijn werkzaamheden als tekstschrijver zeker niet kan verrichten.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Het rapport van de arbeidsdeskundige J.F. Oudhoff van 11 oktober 2012 bevat een zeer uitgebreide beschrijving van de werkzaamheden van appellant als tekstschrijver. De verzekeringsartsen hebben daarom een compleet beeld gehad van de maatgevende arbeid.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de rapporten van de verzekeringsartsen gebaseerd zijn op zorgvuldige onderzoeken en een voldoende medische grondslag vormen voor het oordeel dat appellant per 20 september 2012 niet ongeschikt was voor zijn arbeid. In de diverse (para-)medische rapporten wordt als diagnose gesteld een stemmingsstoornis/dysthyme stoornis. Voldoende gemotiveerd is dat de beperkingen van appellant niet dusdanig zijn dat hij zijn werkzaamheden niet zou kunnen verrichten. Psychiater Houtman, die appellant op 8 augustus 2012 niet tot beperkt belastbaar acht, motiveert dat oordeel niet en geeft ook niet aan waaruit die beperkingen dan zouden bestaan. Aan het oordeel van de Raad kan ook niet afdoen dat appellant ten tijde als hier van belang in afwachting was van een behandeling bij PsyQ, welke behandeling nadien ook heeft plaatsgevonden.


4.3.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) E.W. Akkerman




(getekend) K. de Jong






MK