Centrale Raad van Beroep, 25-03-2015 / 13-2625 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1010

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft terecht kunnen volstaan met het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep tegen bestreden besluit 1. Met bestreden besluit 2 is volledig tegemoetgekomen aan het beroep van appellant. Dat betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat gold ten tijde in geding, dat het beroep van appellant niet mede gericht was tegen bestreden besluit 2.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-2625 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2625 ZW

Datum uitspraak: 25 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 april 2013, 12/5223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Albers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Albers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich op 25 maart 2007 met rug- en beenklachten en later psychische klachten ziek gemeld voor zijn arbeid als schoonmaker op Schiphol. Bij besluit van

12 maart 2009 is aan appellant per einde wachttijd, 22 maart 2009, een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd omdat hij geschikt werd geacht voor functies waarmee het inkomensverlies minder dan 35% bedroeg. Dit besluit staat in rechte vast.


1.2.

Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft appellant zich op 5 februari 2012 ziek gemeld ten gevolge van psychische klachten. In het kader van deze ziekmelding wordt appellant op 26 maart 2012 onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze arts heeft in zijn rapport van 3 april 2012, op basis van dossieronderzoek en onderzoeksbevindingen uit psychisch onderzoek, geconcludeerd dat appellants beperkingen gelijk zijn aan de beperkingen ten tijde van de eerdere

WIA-beoordeling. Om administratieve redenen is appellant tot 3 april 2012 geaccepteerd voor de Ziektewet (ZW), maar per die datum hersteld verklaard voor de in het kader van de WIA geduide functies. Bij besluit van 3 april 2012 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellant met ingang van die zelfde datum beëindigd.


1.3.

Bij besluit van 4 april 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant vanaf

26 maart 2012 geschorst omdat appellant tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts niet voldaan heeft aan de verplichting om een geldig identiteitsbewijs te tonen.


1.4.

Appellant heeft bij brief van 23 april 2012, ontvangen door het Uwv op 24 april 2012, bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 3 en 4 april 2012. Bij beslissing op bezwaar van

14 september 2012 is het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2012, wegens overschrijding van de bezwaartermijn, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Bij besluit van 5 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2012 ongegrond verklaard.


1.5.

Hangende het door appellant tegen het besluit van 5 oktober 2012 ingestelde beroep heeft het Uwv bij besluit van 3 januari 2013 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 april 2012 alsnog gegrond verklaard en de betaling van appellants

ZW-uitkering over de periode van 26 maart 2012 tot 3 april 2012 hervat. Voorts zijn de door appellant gemaakte kosten in bezwaar vergoed.


2. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat met het gewijzigde besluit van 3 januari 2013 volledig aan het bezwaar van appellant tegemoet gekomen is. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt wat het procesbelang is bij het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.


3. Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen en voert onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat volledig is tegemoetgekomen. Het door hem ingestelde beroep had namelijk mede gericht moeten worden geacht tegen het besluit van

14 september 2012. Appellant heeft verschillende ernstige klachten en wil met terugwerkende kracht gedurende een periode van twee jaar aanspraak maken op een ZW-uitkering.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vastgesteld wordt dat appellant met het door hem op 22 oktober 2012 aan de rechtbank toegezonden beroepschrift, blijkens de bewoordingen daarvan en blijkens het daarbij gevoegde besluit, alleen beroep heeft ingesteld tegen bestreden besluit 1 en niet tegen het besluit van 14 september 2012. Op de tweede pagina van het beroepschrift heeft appellant aangeduid dat zijn beroep zich richt tegen een besluit dat aan hem bekend is gemaakt door middel van toezending per post op 5 oktober 2012. In de aanhef van het beroepschrift heeft hij vermeld dat hij opkomt tegen de stopzetting van de betaling van de ZW-uitkering wegens het zich niet kunnen legitimeren tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts. Dat was het onderwerp van het besluit van 4 april 2012 en het bestreden besluit 1 betrof de ongegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar.


4.2.

De procedure bij de rechtbank had aldus betrekking op de stopzetting van de betaling van de ZW-uitkering met ingang van 26 maart 2012. Hangende de procedure bij de rechtbank heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv immers bepaald dat de betaling van de geschorste ZW-uitkering over de periode van 26 maart 2012 tot 3 april 2012 wordt hervat. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat niet is gebleken van procesbelang van appellant bij beoordeling van bestreden besluit 1.


4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv - ervan uitgaande dat in rechte vaststaat dat appellant met ingang van 3 april 2012 geen aanspraak meer heeft op een ZW-uitkering - met bestreden besluit 2 volledig is tegemoetgekomen aant het beroep van appellant. Dat betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat gold ten tijde in geding, dat het beroep van appellant niet mede gericht was tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft kunnen volstaan met het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep tegen bestreden besluit 1.


4.4.

de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) G.J. van Gendt




MK