Centrale Raad van Beroep, 02-04-2015 / 12-5666 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1023

Inhoudsindicatie
Weigering de ziekmelding van appellante te accepteren. Geen recht op doorbetaling van bezoldiging. Met inachtneming van het advies van de bedrijfsarts heeft de korpschef zich op het standpunt kunnen stellen dat appellante als gewezen ambtenaar niet ongeschikt was om na haar ontslag een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. De korpschef heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste uitleg van artikel 39, eerste lid, van het Bbp.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
12-5666 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Datum uitspraak: 2 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 september 2012, 11/6026 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2013, Stb. 20123, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellante heeft mr. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Welter. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Tanja.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was sinds 1 april 1996 werkzaam bij de voormalige politieregio

Amsterdam-Amstelland, laatstelijk als projectleider bij de[dienst] ([dienst]).


1.2.

Bij besluit van 21 oktober 2010 is appellante met onmiddellijke ingang geschorst wegens verdenking van het structureel en voor langere tijd kopen, voorhanden hebben en gebruiken van cocaïne.


1.3.

Bij brief van 24 december 2010 heeft de korpschef aan appellante het voornemen kenbaar gemaakt om haar primair de disciplinaire straf van ontslag op te leggen overeenkomstig artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie.


1.4.

Appellante heeft zich op 21 februari 2011 ziek gemeld. Deze ziekmelding is door de korpschef niet geaccepteerd. Daaraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat appellante zich heeft ziek gemeld voor het geval de schorsing wordt opgeheven, wat een onzekere toekomstige gebeurtenis is die naar haar aard geen grond voor een ziekmelding kan zijn. Appellante heeft zich nogmaals op 23 februari 2011, ditmaal schriftelijk, ziek gemeld. Zij heeft zich vervolgens op 11 mei 2011 ziek gemeld per 21 februari 2011, toen bleek dat zij niet ziek gemeld stond, en heeft zich bij brief van 13 mei 2011 opnieuw ziek gemeld.


1.5.

Bij besluit van 9 mei 2011, uitgereikt op 13 mei 2011, heeft de korpschef appellante met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend.


1.6.

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft de korpschef, onder verwijzing naar de rapportage van de bedrijfsarts van 23 mei 2011, de ziekmelding van appellante niet geaccepteerd.


2. Bij besluit van 10 november 2011 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 9 mei 2011 en 1 juni 2011 ongegrond verklaard. De korpschef heeft daarbij zijn standpunt gehandhaafd dat appellante ten tijde van het ontslag niet ziek was voor soortgelijke arbeid zoals bedoeld in artikel 39 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Zij had daarom na haar ontslag geen recht op doorbetaling van haar bezoldiging.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover het beroep zich richtte tegen de geweigerde ziekmelding, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante blijkens het advies van de bedrijfsarts van

23 mei 2011 en de nadere toelichting van 31 augustus 2011, op 11 mei 2011 niet arbeidsongeschikt was voor naar aard en omvang soortgelijke arbeid, zodat zij geen recht had op voortzetting van de bezoldiging op grond van artikel 39, eerste lid, van het Bbp.


4.1.

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over de aanspraak van appellante op bezoldiging op grond van artikel 39, eerste lid, van het Bbp. Appellante is wel degelijk ziek en niet in staat om een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. De korpschef heeft bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid ten onrechte het zogenoemde WAO-criterium toegepast.


4.2.

De korpschef stelt zich op het standpunt dat appellante volgens de bedrijfsarts volledig belastbaar was en in staat een soortgelijke functie te vervullen. Hij heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Op grond van artikel 39, eerste lid, van het Bbp heeft de gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, (met enkele uitzonderingen voor ontslaggronden die hier niet aan de orde zijn) nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 78 weken, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:

a. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;

b. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;

c. de derde 26 weken 80% van de bezoldiging.


5.2.

In navolging van zijn uitspraak van 28 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2877, overweegt de Raad dat het begrip ‘ongeschikt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen’ niet op één lijn is te stellen met het - in andere bepalingen van het Bbp

gehanteerde - begrip arbeidsongeschiktheid, waaronder ten tijde in geding op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder w, van het Bbp werd verstaan arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).


5.3.

Ter beantwoording van de vraag of appellante ongeschikt was om een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen heeft de bedrijfsarts op 23 mei 2011 als volgt geadviseerd: ‘Werkneemster is het niet eens met ontslag. Conflict speelt nog steeds en er lopen nog diverse bezwaarprocedures. Er zijn veel psychosociale problemen. Dit heeft grote impact op haar. Zuiver theoretisch is werknemer volledig belastbaar, in praktijk niet, vooral niet bij deze werkgever. Er zijn geen beperkingen als het werk passend is. De prognose is dat het pas beter met haar gaat indien zij een nieuwe baan heeft’.


5.4.

Met inachtneming van dit advies heeft de korpschef zich op het standpunt kunnen stellen dat appellante als gewezen ambtenaar niet ongeschikt was om na haar ontslag een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. De korpschef heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste uitleg van artikel 39, eerste lid, van het Bbp.


5.5.

De door de bedrijfsarts op 31 augustus 2011 gegeven nadere toelichting geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daaruit volgt dat appellante wel beperkingen heeft maar dat die haar niet arbeidsongeschikt maken. Voor zover de nadere toelichting voor meerdere uitleg vatbaar zou zijn, is deze niet van dien aard dat dit voor de korpschef aanleiding had moeten zijn het bestreden besluit te heroverwegen.


5.6.

In het licht van het onder 5.3 tot en met 5.5 overwogene is niet langer relevant de vraag op welke datum sprake was van een ziekmelding door appellante. De Raad volgt appellante voorts niet in haar betoog dat de door de rechtbank vastgestelde datum van ziekmelding van 11 mei 2011 diende te leiden tot een veroordeling van de korpschef in de kosten van juridische bijstand in bezwaar. Deze vaststelling heeft immers niet geleid tot herroeping van het primaire besluit van 1 juni 2011, zodat de rechtbank een kostenveroordeling conform het bepaalde in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege heeft kunnen laten.


5.7.

Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, voor zover deze is aangevochten.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) M.S. Boomhouwer





MK