Centrale Raad van Beroep, 02-04-2015 / 13-4645 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2015:1025

Inhoudsindicatie
Afwijzing Wuv- en Wubo- aanvraag. 1) Wuv. Onvoldoende aanwijzingen zijn dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Geen gelijkstelling met vervolgde. Zoals door de Raad in (ECLI:NL:CRVB:2009:BI8024), is aangegeven heeft verweerder naar aanleiding van het proefschrift van dr. C. Stuhldreher uitgebreid afgewogen of dit tot aanpassing van het beleid met betrekking tot toepassing van de anti-hardheidsbepaling ten aanzien van kinderen uit een gemengd huwelijk moet leiden, maar heeft dit niet geleid tot aanpassing van het beleid. Verweerder is met dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan. 2) Wubo. Voor de toepassing van de Wubo kan niet van onderduik worden gesproken. Van andere wel onder de Wubo te brengen oorlogsgebeurtenissen is niet gebleken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
13-4645 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4645 WUBO, 13/4646 WUV

Datum uitspraak: 2 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 30 juli 2013 met kenmerk BZ01646298 (bestreden besluit I) respectievelijk BZ01575734 (bestreden besluit II). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) respectievelijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat, als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel. Op verzoek van appellant zijn ter zitting verschenen en als getuige gehoord de neef van appellant [getuige 1], wonende te [plaatsnaam 1] en [getuige 2], wonende te [plaatsnaam 2], mede-auteur van het boek “[naam boek]”.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1943 uit een zogenoemd gemengd huwelijk waarbij de vader de joodse partner was. In juni 2012 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv respectievelijk de Wubo.


1.2.1.

Verweerder heeft de Wuv-aanvraag afgewezen bij besluit van 29 januari 2013 en de afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit I. In dat verband heeft verweerder overwogen dat appellant geen vervolging heeft ondergaan omdat het niet aannemelijk is geworden dat het verblijf in kraamkliniek Spes Viva was te beschouwen als onderduik in de zin van de Wuv. Verder is geoordeeld dat de oorlogsomstandigheden van appellant niet zodanig uitzonderlijk zijn dat hij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.


1.2.2.

De Wubo-aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 29 januari 2013 en die afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit II op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.


2. De Raad overweegt als volgt.


WUV


2.1.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de WUV wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland bezettende macht werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof of wereldbeschouwing en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving of onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.


2.1.2. Ook voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat appellant in kraamkliniek Spes Viva ondergedoken is geweest. Zo heeft appellant, na in de kraamkliniek te zijn geboren, kennelijk niet de gehele resterende oorlogsperiode in de kraamkliniek verbleven. Uit het sociaal rapport komt naar voren dat hij ook nog een (langere) periode thuis is geweest. Het feit dat de in 1939 geboren zuster van appellant niet ondergedoken is geweest, wijst er eveneens op dat appellant zich niet in een onderduiksituatie bevond. Het lijkt veeleer aannemelijk dat appellant wegens ziekte in de kraamkliniek heeft verbleven. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat appellant na de bevrijding nog tot juli 1945 in de kraamkliniek is gebleven omdat hij nog ziek was. Dit alles maakt het niet aannemelijk dat sprake is geweest van een onderduik.


2.1.3. Gezien het voorgaande behoeft het betoog dat in Zaandam voor gemengd gehuwden andere, strengere, regels golden zoals bevestigd door de getuige [getuige 2], geen verdere bespreking meer. Hetzelfde geldt voor het argument dat uit het proefschrift “De legale rest” van dr. C. Stuhldreher blijkt dat gemengd gehuwden ook aan vervolging onderhevig waren, zodat appellant vanuit dat oogpunt vervolging te duchten had. Feit blijkt immers dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.


2.2.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de WUV kan een persoon onder bepaalde omstandigheden met de vervolgde worden gelijkgesteld, indien het niet toepassen van de Wuv een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.


2.2.2. Zoals door de Raad in een uitspraak van 4 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI8024, is aangegeven heeft verweerder naar aanleiding van het proefschrift van Stuhldreher uitgebreid afgewogen of dit tot aanpassing van het beleid met betrekking tot toepassing van de anti-hardheidsbepaling ten aanzien van kinderen uit een gemengd huwelijk moet leiden, maar heeft dit niet geleid tot aanpassing van het beleid. De Raad heeft geoordeeld dat verweerder met dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan


2.2.3. Verweerder hanteert bij het gebruik van de onder 2.2.1 genoemde bevoegdheid in een geval als dat van appellant als hoofdregel dat de omstandigheden waaronder de betrokkene ten tijde van de bezetting heeft geleefd zich duidelijk ongunstig dienen te hebben onderscheiden van die van zijn of haar categoriegenoten. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij het direct getuige zijn van de wegvoering van naaste familieleden, het hebben meegemaakt van razzia’s of huiszoekingen, het verblijf als kind te midden van joodse onderduikers waardoor identificatie met deze vervolgden kon ontstaan, of sterilisatie van de ouder.


2.2.4. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt niet naar voren dat dergelijke omstandigheden zich in het geval van appellant hebben voorgedaan. Het verlies van joodse familieleden onderscheidt hem, helaas, niet van wat andere kinderen uit een gemengd joods huwelijk in het algemeen hebben meegemaakt.


WUBO


2.3.1.

In artikel 2, eerste lid, van de Wubo is omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan. Het gaat onder meer om degenen die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of matregelen dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen die door of namens de bezetter tegen hen waren gericht.


2.3.2.

Gelet op hetgeen onder 2.1.2 is overwogen kan ook voor de toepassing van de Wubo niet van onderduik worden gesproken. Van andere wel onder de Wubo te brengen oorlogsgebeurtenissen is de Raad niet gebleken.


2.4.

Het voorgaande brengt mee dat de bestreden besluiten in rechte stand houden. De beroepen van appellant moeten dan ook ongegrond worden verklaard.


3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) B. Rikhof






MK