Centrale Raad van Beroep, 02-04-2015 / 13-5103 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1026

Inhoudsindicatie
Beoordeling. Onvoldoende eindscore. Appellant heeft de inhoud van de beoordeling (de scores op de diverse onderdelen en de eindscore) niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Het college heeft terecht de werkzaamheden van appellant voor de COR en voor de OR niet in de beoordeling betrokken. Op grond van artikel 15:37 van de ARU wordt de ambtenaar immers beoordeeld op de uitoefening van zijn functie en de werkzaamheden die appellant als voorzitter van de COR en de OR verricht, behoren daar niet toe. Niet is komen vast te staan dat de werkzaamheden van appellant voor de COR en OR zijn functioneren negatief hebben beïnvloed.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
13-5103 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
Uitspraak

13/5103 AW

Datum uitspraak: 2 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

2 augustus 2013, 13/126 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.M.M. Massuger hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015. Namens appellant is verschenen mr. Massuger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.P.M. van der Sprong, drs. F. Samsen en B.E. Ruijter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1.

Appellant is voor 36 uur per week aangesteld als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Utrecht. Tevens is hij voorzitter van de centrale ondernemingsraad (COR) en de ondernemingsraad van de dienst [naam dienst] (OR). In verband met zijn werkzaamheden voor de COR en OR is appellant voor achttien uur per week vrijgesteld van zijn werkzaamheden als [naam functie].


1.2.

Op 18 november 2011 heeft appellant resultaatsafspraken voor de periode van

19 november 2011 tot 19 februari 2012 (beoordelingsperiode) voor akkoord getekend. Daarin is vermeld dat de leidinggevende de collega’s R, S en V als informanten zal benaderen.


1.3.

Op 10 april 2012 heeft het college de resultaatbeoordeling over de beoordelingsperiode vastgesteld. De eindscore van de beoordeling was onvoldoende.


1.4.

Bij besluit van 21 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat:

de informele wijze waarop de leidinggevende informatie bij de informanten heeft verzameld er niet aan afdoet dat de beoordeling voldoende is onderbouwd;

het in strijd is met de systematiek van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) om de werkzaamheden van appellant voor de COR en OR in de beoordeling mee te nemen;

niet is gebleken dat de beoordeling van appellant negatief is beïnvloed door zijn deelname aan de OR en de COR.


Het hiervoor onder c weergegeven oordeel heeft de rechtbank beargumenteerd door erop te wijzen dat de werkzaamheden van appellant voor de OR en COR vanaf medio 2011 tot 2012 weliswaar zijn toegenomen, maar dat het slechte functioneren van appellant voor de aanvang van deze periode meermalen aan de orde is gekomen. Voorts heeft appellant volgens de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt dat de vrijstelling van achttien uur onvoldoende was voor het zorgvuldig verrichten van de COR- en OR-werkzaamheden en dat daaraan niet afdoet dat appellant zijn leidinggevende meermalen heeft gewaarschuwd voor de werkdruk vanuit de COR en de OR.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet alle feiten juist heeft vastgesteld. Voorts heeft hij de hiervoor onder 2 weergegeven oordelen van de rechtbank bestreden. Appellant heeft tegen de inhoud van de beoordeling (de scores op de diverse onderdelen en de eindscore) geen beroepsgronden aangevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In artikel 15:37 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU) is bepaald dat de ambtenaar periodiek wordt beoordeeld op de uitoefening van zijn functie en dat in uitvoeringsregelingen nadere regels worden gesteld.


4.1.2.

In artikel 4 van de door het college vastgestelde Uitvoeringsregelingen Utrecht (URU) zijn regels gesteld over de bijdragen van informanten aan de beoordeling. In artikel 4.2 is bepaald dat de informant een schriftelijke, op naam gestelde bijdrage kan leveren en dat deze bijdrage een onderdeel vormt van het beoordelingsgesprek en ten minste één week voorafgaand aan de datum van de resultaatbeoordeling beschikbaar is voor zowel beoordeelde als beoordelaar. In artikel 4.3 is bepaald dat de informant bij een beoordelingsgesprek aanwezig kan zijn en dat de mondelinge bijdrage een integraal onderdeel van het beoordelingsgesprek is.


4.1.3.

Ingevolge artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) draagt de ondernemer er zorg voor dat leden van de ondernemingsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de ondernemingsraad worden benadeeld in hun positie in de onderneming.


4.2.

In overweging 3 van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vermeld dat het hoofd van de afdeling [naam afdeling] bij brief van 21 november 2011 appellant heeft ingelicht dat hij reeds geruime tijd niet optimaal heeft gefunctioneerd, wat in 2008 zelfs heeft geresulteerd tot een onvoldoende beoordeling. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is deze vermelding niet in strijd met de feiten. De brief van 21 november 2011 behoort tot de gedingstukken en de rechtbank heeft de inhoud van die brief correct weergegeven. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat die brief inhoudelijk onjuist is, omdat er in 2008 geen beoordeling heeft plaatsgevonden, volgt de Raad hem niet. Tot de gedingstukken behoort een door appellant ondertekend beoordelingsformulier waaruit blijkt dat op 13 juni 2008 het functioneren van appellant over de periode van februari 2007 tot februari 2008 is beoordeeld. De eindscore van deze beoordeling was niet voldoende.


4.3.1.

Appellant heeft onder verwijzing naar door hem overgelegde e-mailberichten van R,

S en V gesteld dat de leidinggevende wellicht één, maar mogelijkerwijs geen van de informanten heeft geraadpleegd en dat dit in strijd is in strijd met de op 18 november 2011 gemaakte resultaatsafspraken. Indien ervan moet worden uitgegaan dat de leidinggevende de informanten wel heeft geraadpleegd, dan is dat volgens appellant niet gebeurd in overeenstemming met artikel 4 van de URU. Het college heeft gesteld dat de leidinggevende de informanten mondeling heeft geraadpleegd. Het college heeft erkend dat de informanten hun bijdrage niet op de in artikel 4 van de URU voorgeschreven wijze hebben geleverd.


4.3.2.

Gelet op de beschikbare gegevens kan niet worden vastgesteld of de leidinggevende overeenkomstig de resultaatsafspraken van 18 november 2011 de drie genoemde informanten heeft geraadpleegd. Met partijen is de Raad van oordeel dat, indien de leidinggevende dat al heeft gedaan, de informanten hun bijdrage niet hebben geleverd op de in artikel 4 van de URU voorgeschreven wijze. Anders dan appellant, ziet de Raad hierin echter geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. Niet aannemelijk is dat appellant is benadeeld. Hij heeft immers de inhoud van de beoordeling (de scores op de diverse onderdelen en de eindscore) niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. De Raad zal dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht geen gevolgen verbinden aan de hiervoor beschreven gebreken in de totstandkoming van de beoordeling.


4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college terecht de werkzaamheden van appellant voor de COR en voor de OR niet in de beoordeling betrokken. Op grond van artikel 15:37 van de ARU wordt de ambtenaar immers beoordeeld op de uitoefening van zijn functie en de werkzaamheden die appellant als voorzitter van de COR en de OR verricht, behoren daar niet toe. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 10 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8420.


4.5.1.

Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het functioneren van appellant in de periode vóór medio 2011 voor de beantwoording van de vraag of de beoordeling van appellant negatief is beïnvloed door zijn deelname aan de COR en de OR. Aan de orde is immers de beoordeling van appellant over de periode van 19 november 2011 tot 19 februari 2012. Desondanks komt de Raad tot dezelfde conclusie als de rechtbank, te weten dat niet is komen vast te staan dat de werkzaamheden van appellant voor de COR en OR zijn functioneren negatief hebben beïnvloed. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant vanaf medio 2011 is geconfronteerd met een toename van zijn werkzaamheden voor de COR en de OR. Duidelijk was dat ook in de nabije toekomst veel werk voor de COR en de OR op hem af zou komen. Niettemin heeft appellant met die wetenschap op 18 november 2011 de resultaatsafspraken voor de beoordelingsperiode voor akkoord getekend. Hij heeft toen niet naar voren gebracht dat de vrijstelling van achttien uur voor zijn werkzaamheden voor de COR en OR onvoldoende was om de resultaatsafspraken na te komen. Gelet daarop ligt het op de weg van appellant aannemelijk te maken dat hij in de beoordelingsperiode zoveel voor de COR en de OR heeft gewerkt dat de vrijstelling van achttien uur per week daarvoor onvoldoende was. Daarin is appellant niet geslaagd. Uit de in beroep overgelegde uitdraai van de elektronische agenda van appellant over de beoordelingsperiode kan niet worden afgeleid dat appellant meer dan achttien uur per week met werkzaamheden voor de COR en OR bezig was. De in het hoger beroepschrift opgenomen opsomming van de projecten waarmee hij als voorzitter van de COR en OR in de beoordelingsperiode te maken kreeg, biedt evenmin inzicht in het daarmee voor appellant gemoeide tijdsbeslag. Ook het enkele feit dat appellant al vrij snel na het begin van de beoordelingsperiode op 7 december 2011 en tegen het eind van de beoordelingsperiode op 25 januari 2012 tegen zijn leidinggevende heeft gezegd dat hij de resultaatsafspraken niet kon nakomen vanwege de grote hoeveelheid werk dat als voorzitter van de COR en OR op hem afkwam, betekent niet dat dit het OR-werk niet in de daarvoor beschikbare tijd van achttien uur per week kon worden gedaan. In het licht van de kort tevoren uitdrukkelijk gemaakte resultaatsafspraken, had van appellant meer onderbouwing van deze mededelingen mogen worden verwacht.


4.6.

Op grond van wat onder 4.2 tot en met 4.5.2 is overwogen, treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking, gelet op wat is overwogen onder 4.3.2 en 4.5.1, met verbetering van gronden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015.




(getekend) J.J.A. Kooijman




(getekend) C.M. Fleuren





IJ