Centrale Raad van Beroep, 02-04-2015 / 13-6685 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1028

Inhoudsindicatie
1) Weigering herplaatsingstermijn te verlengen. 2) Ontslag wegens de opheffing van zijn functie bij de vakgroep. 1) Niet gebleken is dat de herplaatsingscommissie bij het herplaatsingsonderzoek niet heeft gehandeld in overeenstemming met haar gebruikelijke werkwijze. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat bij het afsluiten van de herplaatsingstermijn een reëel uitzicht bestond op een passende functie voor appellant. Het college heeft dan ook in redelijkheid het verzoek van appellant om de herplaatsingstermijn te verlengen kunnen afwijzen. 2) Nadat de functie van appellant was komen te vervallen, heeft een herplaatsingsonderzoek plaatsgevonden waaruit geen passende functie voor hem naar voren is gekomen. De twee functies waarop appellant heeft gesolliciteerd waren voor hem niet passend. Dat er andere wel passende functies voor appellant beschikbaar waren, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft appellant na het verstrijken van de herplaatsingstermijn tot aan zijn ontslag uiteindelijk nog 15 maanden de gelegenheid gehad om binnen of buiten de UT een functie te verwerven. De belangen van appellant zijn dan ook voldoende in acht genomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
13-6685 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6685 AW, 13/6686 AW

Datum uitspraak: 2 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 november 2013, 11/169 en 11/1200 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Universiteit Twente (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door M.J. Smits. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.F. Evers en prof. dr. ir. A.J. Mouthaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1993 werkzaam als [naam functie] ([functie]) bij de faculteit [naam faculteit] ([naam faculteit]) van de Universiteit Twente (UT), leerstoel [naam leerstoel] ([leerstoel]).


1.2.

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft het college appellant ontslag verleend. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 maart 2009 dit ontslagbesluit herroepen. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd (uitspraak van 11 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6141).


1.3.

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het college appellant aangemeld als herplaatsingskandidaat bij de herplaatsingscommissie van de UT. Daarbij is vermeld dat de herplaatsingscommissie gedurende een periode van een jaar naar een passende functie binnen de UT zal zoeken. Dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 5 januari 2011 in stand gelaten. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd (uitspraak van 26 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2815).


1.4.

In mei 2009 heeft appellant zijn werkzaamheden als [functie] hervat. Omdat zijn functie bij de leerstoel [leerstoel] feitelijk was opgeheven, is appellant organisatorisch onder de decaan van de faculteit geplaatst.


1.5.

Op 3 maart 2010 heeft de herplaatsingscommissie besloten appellant niet te plaatsen op de functie van [naam functie 2] [functie 2] van de vakgroep [naam vakgroep], op de grond dat deze functie voor hem niet passend was. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft het college bij besluit van 6 oktober 2010 gegrond verklaard. Onder aanvulling van de motivering heeft het college het besluit appellant niet te plaatsen op deze functie gehandhaafd. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.


1.6.

Op 14 april 2010 heeft de decaan van de faculteit [naam faculteit] appellant een dienstopdracht gegeven om overzicht te verwerven van onderzoeksthema’s op de UT waar appellant een toegevoegde waarde kan hebben, met wetenschappers na te denken over nieuwe of toevoegingen aan bestaande projecten en, omdat deze projecten vrijwel altijd extern gefinancierd zijn, externe partijen te benaderen over mogelijkheden daarvoor. Volgens de decaan had appellant tot dan toe op een inadequate manier uitvoering gegeven aan het herplaatsingsproces.

1.7.

Op 17 juni 2010 heeft appellant verzocht de herplaatsingstermijn te verlengen. Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 6 januari 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college, voor zover hier van belang, het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


1.8.

Op 1 juli 2010 heeft de herplaatsingscommissie het college laten weten dat het herplaatsingonderzoek zonder resultaat wordt afgesloten en dat er geen herplaatsingsmogelijkheden voor appellant zijn.


1.9.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college hem bij besluit van 8 juni 2011 met toepassing van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten ontslag verleend primair wegens het ontstaan van een impasse en subsidiair wegens de opheffing van zijn functie bij de vakgroep [leerstoel]. Bij besluit van 13 oktober 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het college heeft de primaire ontslaggrond (de impasse) laten vallen, appellant ontslag verleend wegens de opheffing van zijn functie en het ontbreken van een andere passende functie, en de ingangsdatum van het ontslag bepaald op 24 oktober 2011.


1.10.

Op 23 juni 2011 heeft de selectiecommissie appellant laten weten dat zijn sollicitatie naar de functie van Assistent Professor/Team Leader Maintenance Engineering bij de faculteit Construerende Technische Wetenschappen niet wordt voortgezet.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college de functie van de [naam functie 3] die per

1 juni 2010 is benoemd tot [naam functie 2] ([naam functie 2]) bij de vakgroep [leerstoel], ten onrechte buiten het herplaatsingsonderzoek heeft gehouden. Volgens appellant blijkt uit deze benoeming tot [naam functie 2] en het aanbieden van een Tenure Track aan R dat er bij de vakgroep [leerstoel] formatie aanwezig was voor een [naam functie 2] en op termijn voor een [functie]. Appellant meent dat hij vanwege zijn positie als herplaatsingskandidaat een voorrangspositie heeft ten aanzien van deze functie.


4.1.2.

De aanwijzing van appellant als herplaatsingskandidaat wordt niet beheerst door specifieke rechtspositionele voorschriften. Volgens de werkwijze van de herplaatsingscommissie is het herplaatsingsonderzoek gericht op herplaatsing in een passende functie. Van een passende functie is sprake indien de werkzaamheden aansluiten bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. De herplaatsingskandidaat heeft een voorrangspositie bij vacatures. Onder vacature wordt verstaan: een vrijvallende en weer te bezetten positie van een half jaar of langer, die hetzij op tijdelijke basis, hetzij voor onbepaalde tijd moet worden ingevuld. Vacatures zijn ook functies die als gevolg van een reorganisatie nieuw zijn. Gedurende het herplaatsingsonderzoek zoekt de herplaatsingscommissie naar een passende functie binnen de UT enerzijds door het screenen van vacatures op passendheid en anderzijds door het actief benaderen van eenheden.

4.1.3.

Bij de aanstelling van R als [naam functie 2] per 1 juni 2010 is zij niet benoemd op een vacature. Omdat R werd belast met een aantal onderwijstaken veranderde haar functieprofiel zodanig dat haar bestaande functie ging voldoen aan de omschrijving van [naam functie 2]. Haar functie van onderzoeker is daarom omgezet in die van [naam functie 2]. Voor de benoeming van R tot [naam functie 2] is de formatie van de vakgroep [leerstoel] dan ook niet uitgebreid. R is haar werkzaamheden onder een andere functiebenaming blijven verrichten. Anders dan appellant betoogt, ontstond op 1 juni 2010 geen vacature of nieuwe functie waarvoor appellant als herplaatsingkandidaat in aanmerking kon worden gebracht. Ook het aanbieden van een Tenure Track aan R houdt niet in dat, eventueel op termijn, een [functie]-functie ontstaat waarvoor appellant als herplaatsingskandidaat in aanmerking komt. Een Tenure Track is een individueel loopbaantraject waarbij de functie gaandeweg wordt aangepast aan de ontwikkeling van de wetenschapper. Het aanbieden van een Tenure Track aan R betekende dan ook niet dat er binnen de herplaatsingstermijn of daarna een voor appellant passende functie ontstond, waarbij hij als herplaatsingskandidaat een voorrangspositie innam. De Raad deelt daarom niet het standpunt van appellant dat de [naam functie 2]-functie van R in het herplaatsingsonderzoek had moeten worden betrokken.


4.2.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft geleverd. Volgens appellant had hij vanwege zijn status als herplaatsingskandidaat moeten worden geplaatst op de functie van [naam functie 2] Operations Management in Healthcare of op de functie van Assistent Professor/Team Leader Maintenance Engineering, waarnaar hij had gesolliciteerd. Verder heeft het college hem na het dienstbevel onvoldoende gelegenheid gegeven om externe financiering te vinden voor een project waaruit een passende functie zou kunnen voortvloeien.


4.2.2.

Met het rechtens onaantastbaar worden van het besluit van 12 mei 2009 door de uitspraak van de Raad van 26 juli 2012 is komen vast te staan dat appellant op goede gronden voor een periode van een jaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat. Tijdens de herplaatsingstermijn heeft de herplaatsingscommissie leerstoelhouders benaderd die gelet op de kennis en ervaring van appellant in aanmerking kwamen. Deze hoogleraren voorzagen geen vacatures. De herplaatsingscommissie heeft de functie van [naam functie 2] Operations Management in Healthcare onderzocht en geconcludeerd dat deze functie niet passend is voor appellant. Bij de vacature voor Assistent Professor/Team Leader Maintenance Engineering heeft de selectiecommissie de sollicitatie van appellant afgewezen, omdat zijn inhoudelijke kennis niet aansloot bij de functie. Deze sollicitatie heeft overigens plaatsgevonden geruime tijd nadat de herplaatsingscommissie het herplaatsingsonderzoek had afgesloten, zodat deze vacature bij dit onderzoek niet in aanmerking kon worden genomen. Niet gebleken is dat de herplaatsingscommissie bij het herplaatsingsonderzoek niet heeft gehandeld in overeenstemming met haar gebruikelijke werkwijze. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat bij het afsluiten van de herplaatsingstermijn een reëel uitzicht bestond op een passende functie voor appellant. Het college heeft dan ook in redelijkheid het verzoek van appellant om de herplaatsingstermijn te verlengen kunnen afwijzen.


4.2.3.

Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen overgaan tot het ontslag van appellant. Nadat de functie van appellant was komen te vervallen, heeft een herplaatsingsonderzoek plaatsgevonden waaruit geen passende functie voor hem naar voren is gekomen. De twee functies waarop appellant heeft gesolliciteerd waren voor hem niet passend. Dat er andere wel passende functies voor appellant beschikbaar waren, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft appellant na het verstrijken van de herplaatsingstermijn per 1 juli 2010 tot aan zijn ontslag uiteindelijk nog 15 maanden de gelegenheid gehad om binnen of buiten de UT een functie te verwerven. Het college heeft de belangen van appellant dan ook voldoende in acht genomen.


4.3.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015.




(getekend) J.J.A. Kooijman




(getekend) C.M. Fleuren






MK