Centrale Raad van Beroep, 20-01-2015 / 13-179 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:103

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering ouderdomspensioen en de AIO-aanvulling. Gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-20
Publicatiedatum
2015-01-23
Zaaknummer
13-179 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/179 AOW, 13/180 AOW

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 november 2012, 12/1568 (aangevallen uitspraak 1) en van 29 november 2012, 12/1567 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats 2]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Namens appellante heeft mr. Kibaroğlu-Batur, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2 en heeft mr. Anik aanvullende gronden ingediend.

De Svb heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 9 december 2014. Namens appellanten is mr. Anik verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds februari 2007 van de Svb een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) voor een alleenstaande en een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij stond ten tijde hier van belang ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van de gemeente [naam gemeente 1] op het adres [adres 1].


1.2.

Appellante ontving sinds augustus 2008 van de Svb een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) voor een alleenstaande en eveneens een AIO-aanvulling. Zij stond ten tijde hier van belang ingeschreven in de GBA van de gemeente[naam gemeente 2] op het adres [adres 2].


1.3.

De Svb heeft op 16 juni 2010 een anonieme melding ontvangen dat appellant op zijn adres samenwoont met een vrouw, genaamd [naam vrouw]. De Svb heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben twee toezichthouders op 13 januari 2011 een huisbezoek afgelegd op het adres van appellant. Daar was behalve appellant ook appellante aanwezig. Tijdens het huisbezoek hebben appellanten ieder een verklaring afgelegd. Voorts is onder meer een onderzoek ingesteld naar door appellante eerder overgelegde bankafschriften. Omwonenden van zowel het adres van appellant als van het adres van appellante zijn als getuigen gehoord. Op

22 november 2011 zijn appellanten ieder als verdachte verhoord door sociaal rechercheurs in dienst van de Svb. Van de afgelegde verklaringen is op ambtseed proces-verbaal opgemaakt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Handhavingsrapportage van

23 november 2011 en in een proces-verbaal van 23 april 2012.


1.4.

De resultaten van het in 1.3 bedoelde onderzoek zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 16 februari 2012 (besluit 1) het ouderdomspensioen en de AIO-aanvulling van appellant met ingang van februari 2007 te wijzigen in een ouderdomspensioen en een

AIO-aanvulling voor een samenwonende op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren.


1.5.

Bij afzonderlijk besluit van 16 februari 2012 (besluit 2) heeft de Svb het over de periode van februari 2007 tot en met november 2011 onverschuldigd aan appellant verstrekte ouderdomspensioen en AIO-aanvulling van hem teruggevorderd tot een bedrag van

€ 29.216,81.


1.6.

De resultaten van het in 1.3 bedoelde onderzoek zijn voor de Svb tevens aanleiding geweest om bij besluit van 16 februari 2012 (besluit 3) het ouderdomspensioen en de

AIO-aanvulling van appellante met ingang van augustus 2008 te wijzigen in een ouderdomspensioen en AIO-aanvulling voor een samenwonende op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren.


1.7.

Bij afzonderlijk besluit van 16 februari 2012 (besluit 4) heeft de Svb het over de periode van augustus 2008 tot en met november 2011 onverschuldigd aan appellante verstrekte ouderdomspensioen en AIO-aanvulling van haar teruggevorderd tot een bedrag van

€ 6.954,16.


1.8.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 26 april 2012 heeft de Svb appellanten ieder weer ouderdomspensioen en een AIO-aanvulling voor een alleenstaande toegekend, omdat zij met ingang van 4 januari 2012 niet langer een gezamenlijke huishouding voeren.


1.9.

Bij besluit van 21 juni 2012 (bestreden besluit 1) heeft de Svb de tegen de

besluiten 1 en 2 door appellant ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 21 juni 2012 (bestreden besluit 2) heeft de Svb de tegen de besluiten 3 en 4 door appellante ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen door na te laten te vermelden dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.


2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 gekeerd en appellante tegen de aangevallen uitspraak 2, beiden op hierna te bespreken, gelijkluidende, gronden. Appellanten hebben, kort weergegeven, aangevoerd dat ten onrechte is aangenomen dat zij in de perioden in geding een gezamenlijke huishouding voerden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het hoger beroep van appellant betreft de periode van februari 2007 tot januari 2012. Het hoger beroep van appellante betreft de periode van augustus 2008 tot januari 2012. De periode in geding, die hier ter beoordeling staat, is derhalve de periode van februari 2007 tot januari 2012 (te beoordelen periode).


4.2.

Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW en artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.3.

De vraag waar iemand hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten ten tijde van belang stonden ingeschreven op verschillende adressen. Aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien, ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte, toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.


4.4.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd, bieden de resultaten van het onderzoek, zoals neergelegd in de Handhavingsrapportage van 23 november 2011 en het proces-verbaal van 23 april 2012, een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van appellant.


4.4.1.

De Raad hecht daarbij, met de Svb en de rechtbank, in het bijzonder betekenis aan de verklaringen die appellanten op 22 november 2011 hebben afgelegd tegenover de sociale recherche.


4.4.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat aan de door hen afgelegde verklaringen geen waarde mag worden gehecht omdat deze onder druk zijn afgelegd, terwijl zij beiden onvoldoende de Nederlandse taal beheersten om de vragen goed te begrijpen en adequaat te beantwoorden. Hierdoor vormen de processen-verbaal van verhoor geen juiste weergave van wat appellanten hebben verklaard en hebben zij tevens onjuist verklaard, aldus appellanten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag echter in beginsel van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding hen niet te houden aan de verklaringen die zij op

22 november 2011 hebben afgelegd en aan de weerslag daarvan die zij na voorlezing hebben ondertekend. Appellanten hebben niet gesteld dat de door hen begrijpelijkerwijs ervaren spanning als ontoelaatbare, door de sociaal rechercheurs uitgeoefende, druk moet worden aangemerkt. Voorts is niet gebleken dat zij gedwongen waren om te verklaren zoals zij hebben gedaan dan wel om het proces-verbaal te ondertekenen. Ook overigens hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het verhoor onzorgvuldig is verlopen. Ieder van appellanten heeft tijdens het verhoor te kennen gegeven goed Nederlands te spreken, te verstaan en te lezen en dat een tolk niet nodig was. Het enkele feit dat tijdens de zitting bij de rechtbank een tolk aanwezig was, maakt dit niet anders.

4.4.3.

Appellanten hebben blijkens de van de verklaringen opgemaakte processen-verbaal, waarvan in de aangevallen uitspraken citaten zijn opgenomen, samengevat het volgende verklaard. Appellante verblijft wanneer zij niet in voormalig Joegoslavië is bijna altijd, in elk geval het grootste deel van de tijd, bij appellant, zowel overdag als ’s nachts. Dit is het geval sinds de zoon van appellante in de gevangenis zit. Dit is sinds 2005 het geval. Appellant heeft verklaard dat appellante sinds die tijd niet meer in haar eigen woning, maar bij hem slaapt. De eerdere opgave dat zij daar slechts enkele dagen per week of per maand verblijft, is niet juist. Haar kleren en een deel van haar administratie liggen in de woning van appellant. De verklaringen van appellanten zijn gedetailleerd en komen in grote lijnen met elkaar overeen. Zij worden ondersteund door de verklaringen van drie buren van appellante dat de woning van appellante onbewoond is. De verklaringen stroken eveneens met de verklaringen van twee buren van appellant dat op het adres van appellant een oudere man en een oudere vrouw wonen. Deze verklaringen tezamen zijn voldoende om een gezamenlijk hoofdverblijf van appellanten in de woning van appellant aan te nemen. De overige onderzoeksbevindingen, zoals de pinbetalingen van appellante in de omgeving van het adres van appellant, liggen hiermee in lijn. De omstandigheid dat appellanten gedurende meerdere maanden per jaar aaneen in voormalig Joegoslavië verbleven, doet hieraan niet af, nu zij telkens wanneer zij in Nederland waren hoofdzakelijk gezamenlijk verbleven op het adres van appellant. Appellanten hebben in hoger beroep drie verklaringen overgelegd van kennissen, inhoudende dat zij appellante voor korte tijd hebben opgevangen toen zij in 2005 problemen had in verband met gebeurtenissen rond haar zoon, waardoor zij niet meer in haar woning kon verblijven. Deze verklaringen doen niet af aan wat hiervoor is overwogen, reeds omdat zij zien op een periode voorafgaand aan de te beoordelen periode.


4.4.4.

Voorts hebben appellanten, kort weergegeven, het volgende verklaard. Appellante maakt gebruik van alle ruimtes in de woning van appellant en van zijn auto. Hij draagt de kosten van de woning en de nutsvoorzieningen en hij doet voor appellante de administratie. Anderzijds doet appellante voor beiden de was en strijkt zij. Appellante verzorgt appellant als hij ziek is. Ieder doet boodschappen voor zichzelf, maar zij doen en betalen ook gezamenlijk boodschappen. Uit deze gegevens volgt dat tevens is voldaan aan het tweede vereiste om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, te weten wederzijdse zorg. Het feit dat appellanten ieder de vaste lasten van de eigen woning droegen en tevens bepaalde andere zaken gescheiden hielden, zoals bankrekeningen en verzekeringen, doet er, anders dan appellanten menen, niet aan af dat zij in de te beoordelen periode zorg droegen voor elkaar door middel van bijdragen in de kosten van de huishouding en ook anderszins.


4.4.5.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij geen affectieve relatie hadden, maar dat zij slechts als vrienden elkaar terzijde stonden. Zoals in 4.3 is overwogen, zijn de motieven en de aard van de relatie van betrokkenen niet van belang.


4.5.

Nu appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden was de Svb gehouden respectievelijk bevoegd het ouderdomspensioen en de AIO-aanvulling van appellant met ingang van februari 2007 en die van appellante met ingang van augustus 2008 te herzien naar het ouderdomspensioen en een AIO-aanvulling voor samenwonenden. Gelet hierop was de Svb voorts gehouden respectievelijk bevoegd om dat wat als gevolg van de herziening onverschuldigd is betaald van ieder van appellanten terug te vorderen.


4.6.

Wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen brengt mee dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) O.P.L. Hovens



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




HD