Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 13-4125 AOW-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1048

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. De Svb heeft appellant voor 100% schuldig-nalatig verklaard over het jaar 2005. Bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De vernietiging van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit brengt mee dat de Svb een onderzoek zal moeten instellen naar de door appellant voorgedragen grond dat hij, gezien zijn geringe inkomen, verschoonbaar nalatig is gebleven de verschuldigde belasting en/of premie sociale verzekeringen te betalen. De Raad draagt de Svb op om de gebreken in het besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
13-4125 AOW-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/163
Uitspraak

13/4125 AOW-T

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 juni 2013, 12/4726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Albers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Voor appellant is verschenen, mr. G.M. Haring, advocaat. Voor de Svb is verschenen mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij brief van 20 maart 2009 heeft de Svb aan appellant bericht dat van de Belastingdienst is vernomen dat appellant een openstaande schuld heeft van € 707,- aan nog te betalen inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen over het jaar 2005. Bij betaling alsnog vóór 4 mei 2009 zal appellant niet schuldig-nalatig worden verklaard.


1.2.

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft de Svb appellant voor 100% schuldig-nalatig verklaard over het jaar 2005. Daarbij is opgemerkt dat appellant niet heeft aangetoond dat de openstaande schuld hem niet is toe te rekenen. Bij betaling vóór 12 oktober 2012 wordt de schuldig-nalatig verklaring ongedaan gemaakt.


1.3.

Bij besluit van 6 juni 2012 is de schuldig-nalatigheid over 2005 vastgesteld op 99%. Dit op de grond dat de Belastingdienst heeft laten weten dat de openstaande schuld is verlaagd. Deze bedraagt nu € 638,-.


1.4.

Bij brief van 3 juli 2012 is door appellant bezwaar gemaakt. Daarbij is onder meer aangegeven dat appellant met zijn uitkering het openstaande bedrag niet kan betalen.


2. Bij besluit van 10 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 6 mei 2009, niet-ontvankelijk verklaard, en, voor zover gericht tegen het besluit van 6 juni 2012, ongegrond verklaard. Over de

niet-ontvankelijkheidsverklaring wordt opgemerkt dat niet is gebleken dat binnen zes weken bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2009. Dit besluit is dan ook rechtens komen vast te staan. Over het besluit van 6 juni 2012 wordt opgemerkt dat geen bezwaren zijn aangevoerd tegen de herziening van het percentage schuldig-nalatigheid. Op die grond kan niet worden geoordeeld dat dit besluit onjuist zou zijn.


3.1.

In beroep is namens appellant aangevoerd dat hij geen andere brieven heeft ontvangen dan de brief waartegen hij bezwaar heeft gemaakt. Daarnaast is aangevoerd dat appellant niet in staat is om te betalen. Appellant had toen geen inkomen en leeft nu van een bijstandsuitkering. Daarmee is sprake van een bijzondere omstandigheid. Tot slot wordt aangevoerd dat, gezien het tijdverloop, de vordering is verjaard.


3.2.

Bij brief van 8 januari 2013 is de gemachtigde bericht dat de behandeling van het beroep ter zitting plaatsvindt op 22 februari 2013. Bij brief van de rechtbank van

7 februari 2013 is aan de gemachtigde bericht dat een verhindering is ontvangen voor genoemde datum. Op 15 februari 2013 is de gemachtigde bericht dat de behandeling ter zitting zal plaatsvinden op 16 mei 2013.


3.3.

Bij brief van 22 april 2013 heeft de Svb aan de rechtbank enige stukken doen toekomen. Dit betreft onder andere de backlogscan van een tweetal “barcodebrieven”. Opgemerkt wordt dat het besluit van 6 mei 2009 aangetekend is verzonden. Dit blijkt hieruit dat deze brieven linksonder het door de postkamer vermelde nummer van aangetekende verzending vermelden. Dit aangetekend verzonden besluit is naar het juiste adres verstuurd en niet retour ontvangen, zodat ervan uit moet worden gegaan dat appellant dit besluit heeft ontvangen. Nu tegen dit besluit geen rechtsmiddel is aangewend, staat de schuldig-nalatigheid van appellant over het jaar 2005 vast, zodat de Svb niet is gehouden nogmaals een onderzoek in te stellen naar de schuldig-nalatigheid van appellant in de onderhavige procedure, aldus de Svb.


3.4.

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechtbank heeft gecontroleerd of de verzending van de uitnodiging voor de zitting naar appellant goed is gegaan en is geconstateerd dat dit zo is. Over de verzending van het besluit van 6 mei 2009 is door de Svb opgemerkt dat dit besluit is aangeboden aan de postkamer ter verzending. Dit wordt dan genoteerd in het boekje voor aangetekend verzenden. Het nummer wordt genoteerd. Dit is een extra check dat het ook in de postkamer is aangekomen en is verzonden.


3.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de overgelegde backlogscans volgt, mede gezien de ter zitting gegeven toelichting daarop, dat dit besluit aangetekend naar het juiste adres is verzonden en niet retour afzender is gekomen. Dat brengt mee dat appellant aannemelijk moet maken dat hij het aangetekend verstuurde stuk niet heeft ontvangen. Met de enkele stelling dat hij het stuk niet heeft ontvangen, is appellant daarin niet geslaagd. Het bezwaar is derhalve ingediend na afloop van de bezwaartermijn van zes weken. Gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2012 heeft de rechtbank voorop gesteld dat dit besluit enkel ziet op de herziening van het percentage schuldig-nalatigheid van 100 naar 99%. Tegen deze herziening heeft appellant geen gronden aangevoerd. Daaraan wordt toegevoegd dat in dit kader de Svb niet gehouden was te beoordelen of sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet betalen van de schuld appellant niet kan worden toegerekend, zodat er in het geheel geen sprake zou zijn van schuldige nalatigheid. Ook het beroep op verjaring wordt verworpen. Appellant dient zich ter zake te richten tot de Belastingdienst. Het beroep wordt ongegrond verklaard.


4.1.

In hoger beroep is namens appellant primair aangevoerd dat ten onrechte een zitting is gehouden zonder appellant en zijn gemachtigde. Na verschuiving van de zittingsdatum naar 16 mei 2013, heeft de gemachtigde bij fax van 19 februari 2013 bericht dat hij op de geplande datum niet kon verschijnen. Desondanks heeft de zitting op die dag plaatsgevonden. Over het besluit van 6 mei 2009 wordt opgemerkt dat appellant dit stuk nooit heeft ontvangen. Het ligt op de weg van de Svb om de handtekening retour te tonen, waaruit zou blijken dat dit stuk appellant wel heeft bereikt. Inhoudelijk wordt opgemerkt dat niet wordt betwist dat er geen gronden zijn gericht tegen de verlaging van de schuldig-nalatigverklaring. Dat laat onverlet dat er omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat het niet-betalen van de belastingschuld niet aan appellant kan worden toegerekend. Het feit dat appellant geen inkomen had zorgde ervoor dat hij niet schuldig-nalatig was. De lange duur voordat hij een beslissing hieromtrent krijgt aangeboden is daarnaast een bijzondere omstandigheid.


4.2.

De Svb heeft opgemerkt dat bij aangetekend verzonden brieven het op de weg van de geadresseerde ligt om aannemelijk te maken dat de aangetekende verzending niet op de gebruikelijke wijze door TNT-Post is verwerkt. Ter zitting is door de gemachtigde van de Svb verklaard dat van de aangetekend verzonden stukken een registratieregister wordt bijgehouden. Het register voor het jaar 2009 is evenwel verdwenen.


4.3.

De Raad zal eerst ingaan op de grond dat appellant en zijn gemachtigde ten onrechte niet in staat zijn gesteld de zitting van de rechtbank bij te wonen. Het dossier biedt voor de stellingen van appellant geen grond. Zo bevat het dossier niet de in 4.1 genoemde fax van 19 februari 2013. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting aangegeven genoemde fax niet te kunnen overleggen. Deze grond slaagt dan ook niet.


4.4.

Vervolgens is aan de orde of de rechtbank met recht de Svb heeft gevolgd in het standpunt dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 mei 2009 niet-ontvankelijk is. De Raad stelt voorop dat appellant de ontvangst van het besluit van 6 mei 2009 heeft ontkend. Dat brengt mee dat primair de Svb aannemelijk zal moeten maken dat het besluit daadwerkelijk is verzonden. Door de Svb is een beschrijving gegeven van en zijn stukken overgelegd over de interne verwerking van stukken die ter post aangeboden worden. Over het hier aan de orde zijnde jaar 2009 ontbreekt een registratieregister. Volgens de Svb is dit besluit verstuurd bij aangetekende post. Desgevraagd heeft de Svb, als verzender van het stuk de meest gerede partij, verklaard niet te hebben onderzocht of het stuk door TNT Post op regelmatige wijze aan het adres van appellant is aangeboden. Ook anderszins is door de Svb niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 9 mei 2009 daadwerkelijk is verzonden.


4.5.

Het voorgaande brengt mee dat verzending van het besluit van 6 mei 2009 in rechte niet kan worden aangenomen, en dat de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb niet is aangevangen in mei 2009. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant eerder dan met het besluit van 6 juni 2012 kennis heeft genomen van het besluit van 6 mei 2009. Nu het bezwaarschrift tegen dit besluit is verzonden op 3 juli 2012, is het tijdig ingediend, zodat het bezwaar ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard.


4.6.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.


4.7.

De Raad dient aansluitend te bezien welk gevolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. De vernietiging van de

niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2009 brengt immers mee dat de Svb een onderzoek zal moeten instellen naar de door appellant voorgedragen grond dat hij, gezien zijn geringe inkomen, verschoonbaar nalatig is gebleven de over dat jaar verschuldigde belasting en/of premie sociale verzekeringen te betalen. De Raad ziet aanleiding om, mede gezien de noodzaak van finale geschillenbeslechting, met toepassing van artikel 8:108 in samenhang met 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht, de Svb op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt de Svb op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 10 augustus 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) P. Uijtdewillegen





NK