Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 13-3472 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1056

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. De artsen van het Uwv hebben op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant niet ongeschikt is voor zijn werk.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
13-3472 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3472 ZW

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

27 mei 2013, 12/3962 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J.G. de Jager, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Voor appellant is zijn gemachtigde mr. P.A.J. van Putten, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 1 april 2011 werkzaam geweest als visfileerder. Aansluitend is aan hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft hij zich per 29 april 2011 ziek gemeld. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.2.

Appellant is laatstelijk op 30 mei 2012 op het spreekuur van een verzekeringsarts onderzocht. Deze arts heeft in het rapport van eveneens 30 mei 2012, op basis van de bevindingen uit dit spreekuuronderzoek en informatie van i-psy van 16 mei 2012 appellant in staat geacht in de maatgevende arbeid te hervatten. Op basis van dat rapport heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2012 aan appellant meegedeeld dat de ZW-uitkering met ingang van

6 juni 2012 werd beëindigd, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.


1.3.

Bij besluit van 5 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2012, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 juni 2012, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden als in beroep aangevoerd. Hij stelt dat hij door zijn klachten niet in staat is zijn arbeid te verrichten, mede omdat op de datum in geding de medicatie nog steeds niet goed is ingeregeld. Tevens heeft appellant gesteld dat de maatgevende arbeid onjuist is beschreven. Dit is van belang omdat werken in een lawaaiige omgeving en dus ook het werken in de nabijheid van een fileermachine voor hem niet mogelijk is. Ten onrechte heeft de rechtbank, ondanks dat appellant een en ander gemotiveerd heeft weersproken, aangenomen dat de situatie op de werkplek bij de voormalig werkgever zoals beschreven naar aanleiding van het bezoek op 29 januari 2013 door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ook de situatie op datum in geding weergeeft.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. In artikel 19, vijfde lid van de ZW is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Aan appellants laatst verrichte werk waren echter geen bijzondere, verzwarende, aspecten verbonden, die gelet op voormelde bepaling hier buiten beschouwing zouden moeten blijven


4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant laatstelijk voor de datum van zijn ziekmelding werkzaamheden heeft verricht als visfileerder. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij de beoordeling van de juiste maatgevende arbeid is uitgegaan. Met name gelet op de uitgebrachte arbeidskundige rapporten is voldoende aannemelijk dat bij de maatgevende arbeid geen sprake is van een bijzondere of grote geluidsbelasting. Uit deze rapporten blijkt namelijk dat op de plek waar appellante werkte - gelegen aan het [straatnaam] te [plaatsnaam] - geen fileermachines stonden maar dat daar handmatig werd gefileerd, zodat er geen sprake was van lawaai van machines. In aanmerking genomen dat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant niet kon werken in een zeer lawaaiige omgeving is er geen reden om aan te nemen dat appellant ongeschikt was voor zijn arbeid. Appellant heeft geen gegevens ingebracht die reden vormen voor een ander oordeel.


4.3.

Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad dan ook het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de artsen van het Uwv in het kader van de beoordeling van de aanspraken van appellant op een ZW-uitkering op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant niet ongeschikt is voor zijn werk.


4.4.

Nu appellant in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat, met inachtneming van artikel 19 ZW, zijn klachten door het Uwv zijn onderschat en dat hij meer beperkt dient te worden geacht dan door het Uwv is aangenomen, is er geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank.


4.5.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.