Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 13-3359 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1057

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Het onderzoek door de verzekeringsarts is voldoende zorgvuldig geweest en kan de conclusie dragen dat appellant weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die reden geeft om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
13-3359 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3359 ZW

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2013, 12/4537 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover hoger beroep ingesteld. Als opvolgend gemachtigde heeft mr. A. El Kadi aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. El Kadi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 1 mei 2009 werkzaam geweest als jongerenwerker. Op 10 januari 2011 heeft hij zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld wegens rugklachten en knie-, onderbeen-, enkel-, en voetklachten links. Naar aanleiding hiervan is aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.2.

Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellant een aantal keren onderzocht op het spreekuur van de verzekeringsarts, laatstelijk op 29 juni 2012. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de beperkingen die bij onderzoek kunnen worden vastgesteld dusdanig zijn verminderd dat er voor appellant geen medisch objectiveerbare belemmering meer bestaat om zijn werk als jongerenwerker te verrichten. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 29 juni 2012 vastgesteld dat met ingang van 2 juli 2012 geen recht meer bestaat op ziekengeld.


1.3.

Bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 september 2012 ten grondslag.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie heeft onderbouwd alsmede gelet op de overige gedingstukken, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de conclusie kan dragen dat appellant met ingang van 2 juli 2012 weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven de juistheid van het medisch oordeel, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, in twijfel te trekken.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische klachten ten onrechte niet zijn betrokken bij de vaststelling van zijn belastbaarheid. Voorts heeft appellant verzocht om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen om zijn psychische klachten nader te laten onderzoeken.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek naar de belastbaarheid van appellant voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel omtrent de psychische klachten van appellant. Niet is gebleken dat deze klachten al op

2 juli 2012 bestonden. Uit de brief van het Riagg van 4 februari 2013 is af te leiden, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook in zijn rapport van 19 februari 2013 heeft gesteld, dat appellant pas vanaf september 2012 ernstige depressieve klachten heeft. Ook de huisarts heeft omstreeks 2 juli 2012 bijvoorbeeld geen medicatie voorgeschreven of appellant doorverwezen in verband met psychische problematiek. Ten slotte kan ook uit de overige beschikbare medische informatie niet worden afgeleid dat op de datum in geding reeds sprake was van deze klachten.


4.2.

Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die reden geeft om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarom bestaat er ook geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen.


4.3.

Gezien hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het Uwv op juiste gronden heeft geoordeeld dat appellant met ingang van

2 juli 2012 weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.