Centrale Raad van Beroep, 02-04-2015 / 13-5648 WUV


ECLI:NL:CRVB:2015:1062

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening van het eerder genomen besluit, waarbij appellant als tweede-generatieslachtoffer gelijkgesteld wordt met de vervolgde als bedoeld in de Wuv, maar hem een periodieke Wuv-uitkering is geweigerd. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
13-5648 WUV
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5648 WUV

Datum uitspraak: 2 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te Israël (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 juli 2013, kenmerk BZ01543365 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van appellant en met toestemming van verweerder heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren [in] 1952, is in 1993 als tweede-generatieslachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde als bedoeld in de Wuv. Daarbij is hem een bijzondere voorziening toegekend, maar is hem een periodieke uitkering geweigerd. Bij beslissing op bezwaar van 30 juni 1994 is aan appellant alsnog, met ingang van 1 maart 1992, een periodieke uitkering toegekend. De grondslag is daarbij vastgesteld op het wettelijk minimum, ontleend aan het door appellant laatstelijk uitgeoefende beroep van schoonmaker. Bij uitspraak van 11 april 1996, 94/42 WUV, heeft de Raad het tegen dit besluit gerichte beroep ongegrond verklaard.


1.2.

In 1997 heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 30 juni 1994. Op dit verzoek is, op 22 juli 1998, afwijzend beslist. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd op

29 juli 1999. Bij uitspraak van 4 april 2002, 99/5125 WUV, heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 29 juli 1999 ongegrond verklaard.


1.3.

Op 3 augustus 2012 heeft appellant wederom verzocht om herziening van het besluit van 30 juni 1994. Bij besluit van 15 augustus 2012 is dit verzoek afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn psychische klachten reeds lang vóór 1992 manifest zijn geworden. Hij wenst daarom herziening van het bij de vaststelling van de grondslag voor zijn periodieke uitkering gehanteerde peiljaar en peilberoep.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv, is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een eerder gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


3.2.

Vastgesteld moet worden dat van feiten of omstandigheden als zojuist bedoeld in dit geval geen sprake is. De door appellant aan de orde gestelde problematiek is uitvoerig aan de orde geweest in de uitspraken van de Raad van 11 april 1996 en 4 april 2002. Nog immer ontbreken objectieve medische gegevens uit de periode van belang, waaruit naar voren komt dat de klachten van appellant al vóór 1992 invaliderend tot uiting zijn gekomen. De thans door appellant overgelegde, eenregelige verklaring van Nathan Klein over de werkzaamheden van appellant voor het “Tehilla raffle tickets project”, is niet met dergelijke objectieve medische informatie op een lijn te stellen. De bewuste werkzaamheden en de beëindiging ervan zijn in het kader van de eerdere besluitvorming uitdrukkelijk aan de orde geweest.


3.3.

Het beroep is ongegrond.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) B. Rikhof





MK