Centrale Raad van Beroep, 02-04-2015 / 13-2327 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1063

Inhoudsindicatie
Ontslag met inachtneming van een re-integratiefase voor het restant van het dienstverband wegens opheffing van de betrekking. Niet valt in te zien dat de wijze waarop het college en de Stichting de overname van het gemeenschapshuis hebben vormgegeven, niet toelaatbaar zou zijn. Appellant is niet overgegaan naar de stichting. Zijn sollicitatie bij de stichting is niet succesvol geweest. Gelet op de privatisering heeft het college geen zeggenschap meer over het gemeenschapshuis. Dat door het college aan het gemeenschapshuis subsidie wordt verstrekt maakt dit niet anders. Nu appellant ten tijde van het privatiseringsproces de enige medewerker met een vaste aanstelling bleek, zou een Sociaal Statuut geen toegevoegde waarde hebben gehad.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
13-2327 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2327 AW

Datum uitspraak: 2 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

20 maart 2013, 12/3640 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. A. de Visser een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Visser en J.A. Wout.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was aangesteld bij de gemeente Heeze-Leende en werkzaam als[naam functie] bij [naam gemeenschapshuis]. In 2007 is hij herplaatst als [naam functie 2]. Na beëindiging van deze plaatsing is hij teruggeplaatst als [naam functie 3] bij d’n [naam gemeenschapshuis] voor 32 uur per week.


1.2.

Per 1 mei 2009 is appellant in eerste instantie voor 32 uur en later voor 24 uur gedetacheerd in de functie van [naam functie 4] bij de gemeente [naam gemeente].


1.3.

Het gemeenschapshuis is per 1 september 2011 geprivatiseerd en overgegaan naar Stichting [naam stichting]. Afgesproken is dat het personeel niet mee over zou gaan.


1.4.

Wegens algehele opheffing van zijn betrekking is aan appellant bij besluit van

5 april 2011 met ingang van 15 april 2011 deeltijdontslag verleend voor 8 uren. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar heeft dit later weer ingetrokken. Aan het ontslag is een re-integratiefase verbonden.


1.5.

In het kader van zijn re-integratie als gevolg van het ontslagbesluit van 5 april 2011 is appellant van 1 augustus 2011 tot 15 december 2011 voor 12 uur per week gedetacheerd bij Stichting [naam stichting 2] in de functie van[naam functie][naam functie 4]


1.6.

Omdat de gemeente [naam gemeente] niet de financiële middelen had om appellant in dienst te nemen, is de detachering aldaar op 1 januari 2012 ten einde gekomen. Het college wilde niet langer meewerken aan detacheringsconstructies. Andere passende functies waren volgens het college binnen de eigen organisatie niet voorhanden. Appellant is met ingang van 1 februari 2012 voor 8 uren per week in dienst getreden bij 18K en tewerkgesteld bij de gemeente [naam gemeente]. Hiermee is de re-integratiefase behorende bij het deeltijdontslag van 5 april 2011 vervroegd beëindigd en was het ontslag voor 8 uren per week met ingang van 1 februari 2012 een feit.


1.7.

Bij besluit van 13 juni 2012, gewijzigd op 21 augustus 2012 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2012, heeft het college appellant met inachtneming van een

re-integratiefase voor het restant van zijn dienstverband van 24 uren wegens opheffing van zijn betrekking uiterlijk per 1 juni 2013 ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst. Daaraan is ten grondslag gelegd dat ten tijde van de overname van d’n [naam gemeenschapshuis] afspraken zijn gemaakt dat het personeel niet mee over zou gaan naar Stichting[naam stichting] Appellant heeft bij de stichting gesolliciteerd maar is niet aangenomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens appellant heeft het college zich niet als een goed werkgever opgesteld, nu hij van een vaste aanstelling naar een flexcontract is gegaan en er voor het college twee maal de mogelijkheid was hem gewoon het werk te laten volgen. De Raad volgt appellant daarin niet. Niet valt in te zien dat de wijze waarop het college en de Stichting [naam stichting] de overname van het gemeenschapshuis hebben vormgegeven, niet toelaatbaar zou zijn. Appellant is niet overgegaan naar de stichting. Zijn sollicitatie bij de stichting is niet succesvol geweest. Gelet op de privatisering heeft het college geen zeggenschap meer over het gemeenschapshuis. Dat door het college aan het gemeenschapshuis subsidie wordt verstrekt maakt dit niet anders. Dat bij de privatisering van het welzijnswerk een medewerker is overgegaan naar de nieuwe organisatie, kan evenmin afdoen aan het hier overwogene.


4.2.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte geen Sociaal Statuut tot stand is gekomen merkt de Raad op dat de gang van zaken hieromtrent niet de schoonheidsprijs verdient. Een brief aan appellant van 29 mei 2008 wekt immers de indruk dat op privatisering een Sociaal Statuut van toepassing zou zijn. Nu appellant ten tijde van het privatiseringsproces de enige medewerker met een vaste aanstelling bleek, zou een Sociaal Statuut geen toegevoegde waarde hebben gehad.


4.3.

Ten aanzien van hetgeen appellant tot slot heeft aangevoerd met betrekking tot het herplaatsingsonderzoek merkt de Raad op dat dit valt buiten het kader van het onderhavige ontslag.


4.5.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) B. Rikhof






MK