Centrale Raad van Beroep, 07-04-2015 / 14-1365 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1065

Inhoudsindicatie
De aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het eigen risico is terecht afgewezen. De compensatie in de vorm van een zorgtoeslag die appellant ontvangt voor de betaling van de nominale Zvw-premie en de (gemiddelde) eigen betaling is als een passende en toereikende voorliggende voorziening is aan te merken. Geen dwangsom verschuldigd. Appellant het college bij brief van 4 juli 2013 (nogmaals) in gebreke gesteld. Op 5 juli 2013 heeft het college op het bezwaar beslist, zodat geen grond bestaat tot toekenning van een dwangsom.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-07
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
14-1365 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1365 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 januari 2014, 13/5387 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (college)

Datum uitspraak: 7 april 2015

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/4148 WWB, 13/6136 WWB en 14/1888 WWB, plaatsgevonden op 24 februari 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft op 1 februari 2013 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten in verband met het verplicht eigen risico ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) tot een bedrag van € 137,15.


1.2.

Bij besluit van 5 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college, na gemaakt bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2013, de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat Zvw-verzekerden met een laag of gemiddeld inkomen via de zorgtoeslag worden gecompenseerd voor de nominale Zvw-premie en de gemiddelde eigen betaling die het gevolg is van het verplicht eigen risico. Dit betekent dat sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB, zodat voor toekenning van bijzondere bijstand aan appellant geen ruimte is.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat de compensatie in de vorm van een zorgtoeslag die appellant ontvangt voor de betaling van de nominale Zvw-premie en de (gemiddelde) eigen betaling als een passende en toereikende voorliggende voorziening is aan te merken. Hieraan ligt, mede gelet op de Verzamelbrief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 december 2007, onder punt 6, een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag, zodat artikel 15, eerste lid, van de WWB een beletsel vormt voor bijzondere bijstandsverlening ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het eigen risico dan ook terecht afgewezen.


4.2.

Voorts wordt met de rechtbank geoordeeld dat voor de vraag of een commissie als adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt de naam die aan de commissie wordt gegeven niet van doorslaggevende betekenis is. Bepalend is of is voldaan aan de eisen die in die bepaling aan een adviescommissie worden gesteld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan die eisen in het onderhavige geval niet is voldaan.


4.3.

Appellant heeft, ten slotte, een dwangsom gevorderd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar gericht tegen het besluit van 13 februari 2013.


4.3.1.

Appellant heeft met zijn brief van 9 mei 2013 kennelijk beoogd het college in gebreke te stellen. Nog daargelaten dat het college heeft ontkend deze brief daadwerkelijk te hebben ontvangen, moet echter worden vastgesteld, dat die ingebrekestelling prematuur is geweest. Aangezien het college in het voorliggende geval een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb heeft ingesteld, diende het college ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb binnen twaalf weken op het bezwaar te beslissen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken. Hieruit vloeit voort dat het college uiterlijk op 20 juni 2013 op het bezwaar diende te beslissen.


4.3.2.

Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. In de toelichting bij deze bepaling heeft de wetgever verduidelijkt dat de termijn van twee weken aanvangt op de dag na die waarop de ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (Kamerstukken II 2005/05, 29 934,

nr. 6, p. 11). In het voorliggende geval heeft appellant het college bij brief van 4 juli 2013 (nogmaals) in gebreke gesteld. Op 5 juli 2013 heeft het college op het bezwaar beslist, zodat geen grond bestaat tot toekenning van een dwangsom.


4.4.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C. Moustaine





IJ